|
Gedachten bij Pesach 2011-5771
Waarom vieren we elk jaar opnieuw de uittocht uit Egypte, de bevrijding uit de benauwdheid van ons bestaan? Waarom was het niet genoeg dat de Eeuwige ons zo’n 3500 jaar geleden bevrijdde? En waarom moeten we elk jaar onszelf zien alsof wij zelf uit Egypte zijn weggetrokken?
Toen ik deze oude teksten weer las kwam het woord ‘compassie’ bij mij naar boven. De haggada leert ons medemenselijkheid, elk jaar opnieuw, want blijkbaar is het makkelijker te haten dan om lief te hebben. Een belangrijke les van Pesach is dat wij ons niet mogen verheugen over het verlies van onze tegenstanders, van onze achtervolgers die verzwelgen in de Rietzee. Het verhaal van de Uittocht leert ons de ander altijd als mens te blijven zien en compassie boven haat te stellen. Het leert ons ons hart open te stellen en onze ogen niet te laten verblinden door woede en haat.
En het leert ons dat vrijheid niet een vanzelfsprekend gegeven is, maar dat die steeds opnieuw bevochten moet worden. In die zin is het fascinerend te zien wat er op dit moment in het Midden-Oosten gebeurt; de drang van mensen om zich te bevrijden van de beklemmende angst; mensen die met gevaar voor eigen leven de straat op gaan en eisen dat hun dictator vertrekt.
Deze week las ik in de krant een interview met een Egyptische vrouw die zei: “Mubarak doodde het menselijke in ons. Nu is het goede weer zichtbaar.” De ander als mens blijven zien is dus essentieel voor een waardige samenleving en voor het zelfrespect van mensen. Alleen dan kan het goede in mensen naar boven komen.
Maar vrijheid is niet alleen iets dat ver weg bevochten moet worden. Ook in Nederland moeten wij onze vrijheid bewaken en verdedigen. Hoe gaan wij om met de rechten van minderheden, met mensen die andere keuzes maken dan wij? Gunnen we vluchtelingen en asielzoekers echt een plaats in onze maatschappij? Kijken wij een dakloze, verslaafde of psychiatrisch patiënt als een volwaardig mens in de ogen? Of kijken we weg; doen we of hij of zij er eigenlijk niet is?
Dat is waarom we elk jaar opnieuw het verhaal van de Uittocht lezen. Om onszelf er aan te herinneren dat de ware bevrijding nog niet is voltooid. Dat er nog mensen zijn die niet vrij zijn, die honger hebben en geen mogelijkheid een menswaardig leven te leiden. Pesach leert ons hoe belangrijk bevrijding is, maar ook dat het onze taak is die van anderen een stapje dichterbij te brengen.
Clary Rooda
De keuze voor liefde of haat, voor zegen of vloek ligt in ieders hart
Derasha 6 augustus 2010 (Gay Pride dienst)
Vorige week donderdag was Gay Pride in Jeruzalem en via de Israëlische media kreeg ik de foto’s en de commentaren. Vier jaar geleden, toen World Pride in Jeruzalem werd gehouden, woonde ik zelf in die stad en maakte alle discussies, demonstraties en tegendemonstraties van dichtbij mee. Verbijsterd was ik toen door de hoeveelheid haat die deze vreedzame optocht opriep. Leiders van de orthodoxie, van joodse, christelijke en islamitische stromingen die elkaar gewoonlijk niet kunnen luchten of zien, kwamen samen om in een gezamenlijke oproep de parade te veroordelen. Er werd zelfs gewaarschuwd voor geweld en bloedvergieten als Gay Pride door zou gaan, want al die homoseksuelen zouden de heiligheid van Jeruzalem aantasten. Wat mij toen kwaad maakte – en nu nog steeds - was de arrogantie en de hypocrisie van de orthodoxie: alsof zij het alleenrecht op heiligheid hebben. Alsof hun haat en geweld bijdraagt aan die heiligheid. Integendeel zou ik zeggen. Plaatsen of voorwerpen zijn niet heilig in zichzelf. Heiligheid ontstaat door wat wij doen met liefdevolle aandacht, met eerbied en met ontzag. Het zijn onze handelingen die tijd en ruimte heiligen of juist ontwijden.
Gay Pride in Jeruzalem is veel meer dan een demonstratie voor homo- en lesbo-rechten of een gezellig feestje van de homobeweging. Gay Pride is politiek beladen en gaat vooral over hoe de Israëlische samenleving met andersdenkenden en andersgelovigen omgaat. De homogemeenschap is het model voor een tolerante en open samenleving waarin Joden en moslims, religieuzen en seculieren, mannen en vrouwen, samenwerken. Vandaar ook dat de Israëlische Reform beweging altijd prominent aanwezig is met de leus: "Er is meer dan één manier om Joods te zijn". Gay Pride staat in Israel voor het ideaal van een open en pluriforme samenleving waarin mensen elkaar de ruimte gunnen anders te zijn.
Op één van de foto’s van de demonstratie van dit jaar zag ik ook borden met de tekst: “v’ahavtá laréacha kamocha”. Houd van je naaste als jezelf. Een gebod uit Torah (Waj. 19: 18) uit parasha kedoshiem. Interessant genoeg is dat ook dezelfde parasha waarin tot twee keer toe homoseksualiteit wordt veroordeeld (Waj. 18: 22 en 20: 13).
Het gebod te houden van je naaste zoals van jezelf wordt door Hillel, één van de grote rabbijnen uit de Talmud, als de essentie van Torah gezien. Als iemand die Joods wil worden bij hem komt en zegt: “leer mij de Torah terwijl ik op 1 been sta”, antwoord Hillel: “Wat kwaad is in jouw ogen, doe dat je naaste niet aan. De rest is commentaar. Ga heen en leer.”
Interessant is dat het gebod “v’ahavtá laréacha kamocha”, te houden van je naaste als van jezelf, maar één keer in Torah voorkomt, terwijl er veel vaker wordt opgeroepen te houden van de vreemdeling. Waarom neemt Hillel dan juist dit gebod als kern van Torah en niet de zorg voor de vreemdeling? Is het makkelijker een volstrekte vreemdeling met respect te behandelen, dan iemand die op jou lijkt maar toch ergens anders is? En wat is “houden van jezelf”? Kun je wel echt helemaal van jezelf houden, kun je al die moeilijke kanten van jezelf wel werkelijk omarmen? Of komt de haat voort uit die aspecten van jezelf die je eigenlijk niet onder ogen wilt zien, de kanten die je zo hard ontkent en onderdrukt?
De rabbijnen in de Talmud noemen de zinloze haat, de ‘sinat chinam’, haat om niets, als reden voor de verwoesting van de Tempel. De haat die mensen blind en onverdraagzaam maakt in plaats van gevuld met liefde en mededogen. De haat die mensen van binnen opvreet en oogkleppen geeft waardoor ze blind worden voor het lot van de ander, zodat ze de wereld alleen vanuit hun eigen perspectief kunnen zien. Hun werkelijkheid is dè waarheid. Voor enige nuancering is geen ruimte.
Voor mij is de essentie van een democratie hoe er met de rechten van minderheden wordt omgegaan. Is er ruimte om anders te zijn? Een ander geloof aan te hangen? Een synagoge of een moskee te bouwen? Een hoofddoek of een keppel te dragen? Hand in hand met je geliefde over straat te kunnen lopen? Ahmed Marcouch zei onlangs: ''Het is verkeerd als religieuze gebouwen en mensen worden geanonimiseerd. Joden moeten zichtbaar over straat kunnen, net als homo's en moslima's.''
Voor mij is dat waar Gay Pride over gaat: laten zien dat we er zijn en dat we zijn anders. Dat is ook waarom wij morgen als Beit ha’Chidush meevaren in de botenparade: wij er trots op dat we Joods zijn en we zijn er trots op dat wij homo zijn. De keuze voor liefde of haat, voor zegen of vloek ligt in ieders hart. Wij kiezen voor de liefde, voor pluriformiteit en veelkleurigheid en dat is wat we laten zien.
© Clary Rooda
6 augustus 2010
Sleutel tot verandering ligt in onze handen
Een tijdje terug zag ik de film ‘Milk’ over het leven van de Amerikaanse politicus Harvey Milk. Als eerste openlijk homoseksuele politicus in Amerika werd hij in 1977 gekozen in de gemeenteraad van San Francisco. De film laat de enorme inzet zien waarmee Milk anderen een betere toekomst wil geven en ontroerde en inspireerde mij. Hij richtte zijn strijd niet alleen op homorechten, maar op alle achtergestelde groeperingen. Hij wilde een rechtvaardiger wereld voor iedereen en zorgde met zijn bijna profetische visie en enorme doorzettingsvermogen voor verandering.
Slechts in één zin in de film wordt er aan zijn Joodse achtergrond gerefereerd, terwijl dit naar mijn idee wel belangrijk - zo niet bepalend - is geweest. Hij groeide op op Long Island als kind van immigranten uit Litouwen. Milk was niet religieus maar wel trots om Joods te zijn. Seculier, maar zich wel bewust van Joodse waarden als sociale rechtvaardigheid.
Bij het zien van die film moest ik ook denken aan Benno Premsela, onze Nederlandse voorvechter van homorechten. In de jaren ’60 was hij de eerste voorzitter van het COC die openlijk en onder zijn eigen naam naar buiten trad. Hij was de eerste die herkenbaar op televisie durfde te komen. Ook Premsela kwam uit een Joodse gezin, maar was niet religieus. Hij kwam uit een humanistisch milieu, het zelf verantwoordelijkheid nemen en betrokkenheid tonen bij wat er in de samenleving gebeurt werd hem met de paplepel ingegoten.
Aan deze twee mannen moest ik denken tijdens de seider waarbij wij zo prominent een sinaasappel op de sederschotel hadden liggen. Voor degenen die er niet bij waren: er heeft een prachtige foto in NRC Handelsblad en het Parool gestaan. Het oranje van de sinaasappel springt er duidelijk uit als een symbool van inclusiviteit, niet alleen van homo’s en lesbo’s, maar ook van vrouwelijke rabbijnen, van niet-religieuze Joden en van iedereen die op welke manier dan ook niet aan de norm van deze samenleving voldoet. De sinaasappel laat zien dat wij allemaal deel uitmaken van het veelkleurige gezicht van het hedendaagse Jodendom.
Maar wat deze twee voorvechters mij ook leren en dat is in feite ook waar het verhaal van de Uittocht over gaat, is dat één iemand het verschil kan maken. Eén iemand kan de balans doen doorslaan naar de goede of naar de verkeerde kant. Onze daden doen er toe. Wij moeten de eerste stap tot verandering zetten en misschien, heel misschien, helpt God ons met de rest.
In Mitsrayim zijn het de vroedvrouwen Shifra en Pua die weigeren het bevel van farao op te volgen om de eerstgeborenen te doden. Vervolgens zijn het de moeder van Moshé en zijn zus die er voor zorgen dat hij in leven blijft. Zijn moeder legt hem in een mandje en laat hem de Nijl af drijven en zijn zus Myriam, kijkt toe wat er met hem gebeurt. Als de dochter van farao de mand met Moshé daarin vind, is het Myriam die er voor zorgt dat zijn eigen moeder Moshé kan voeden. Stuk voor stuk moedige vrouwen, óók de dochter van de farao die beseft dat het een Hebreeuws kind is, maar er toch voor kiest voor hem te zorgen en hem in leven te houden.
En volgens de midrash was het Nachshon ben Aminadav van de stam van Jehuda, die in het water sprong toen het volk vertwijfeld voor de Rietzee stond met de Egyptenaren op hun hielen. Nadat hij die stap had gezet, volgden de anderen en pas toen iedereen tot zijn neus in het water stond, spleet God de zee voor een veilige doortocht.
Deze midrash en de verhalen uit Tenach leren ons dat je steeds zelf de eerste stap moet zetten, dat je de moed moet hebben het vertrouwde achter je te laten en dat je in vertrouwen de stap naar het onbekende moet zetten. Pas als jij die eerste stap zet en de impasse doorbreekt, gebeuren er wonderen.
De moedige acties van mensen zoals Shifra en Pua, van Moshé´s moeder, Myriam en de dochter van farao en van mannen als Harvey Milk en Benno Premsela, leren ons dat verandering mogelijk is. Het zijn deze individuen die zich verzetten tegen de status quo, die vanuit hun eigen integriteit en met heel hun hart kijken naar de pijn en het verdriet van anderen. Die hun mond open doen zonder na te denken over mogelijke consequenties. Die zich uitspreken tegen onrecht en daardoor de wereld een beetje beter hebben gemaakt.
En dat is ook waarom we elk jaar opnieuw het verhaal van de Uittocht vertellen, om onszelf te herinneren dat de sleutel tot verandering in onze handen ligt, dat wij het zelf zijn die het verschil kunnen maken en dat het onze opdracht is de verlossing van anderen dichterbij te brengen en bij te dragen aan tikkoen olam, het heel maken van deze wereld.
Clary Rooda april 2010
rabbijn i.o. van Beit Ha’Chidush
|