Op deze pagina vind je teksten van de rabbijn voor onze nieuwsbrief. De meest recente staan bovenaan. Heb je behoefte aan pastorale zorg, of spirituele begeleiding? Staat er een levenscyclus gebeurtenis voor de deur, bijvoorbeeld een huwelijk, of een geboorte? Heb je een vraag over een Joods onderwerp? Wil je leren over Jodendom? Of wil je gewoon eens een gesprek over wat je bezig houdt? Neem dan contact op met rabbijn Tamarah Benima, .(JavaScript moet ingeschakeld zijn om dit e-mail adres te bekijken).
Een arbang kanfous onder het habijt
Een Chanoekaconceert op 5 december. In de grote zaal van het Amsterdamse Concertgebouw. Die datum is geen toeval: Sinterklaas of Pakjesavond. Betekent het dat Sinterklaas in joodse kring niet gevierd gaat worden? Waarschijnlijk niet. Waarschijnlijk gaat dat gewoon door, maar op een andere dag. Of het wordt samen met Chanoeka gevierd en tot Chanoeklaas gemaakt. Bart Wallet, docent aan de Universiteit van Amsterdam, maakte me opmerkzaam op twee teksten waarin je kunt lezen hoe de vooroorlogse joodse gemeenschap omging met Sinterklaas. Van de naoorlogse tijd weet ik het zelf.

Bij mij thuis werd Sinterklaas groots gevierd. Het was een familietraditie van de diepgaand seculiere Benima’s. Mijn moeder had moeite met het kruis op de mijter van de Spaans-Griekse bisschop, wat opmerkelijk was, want verder was ze buitengewoon ruimdenkend. In die naoorlogse tijd werd het kruis niet alleen voor haar af en toe vervangen door een mageen David. Trouwens, het was een fluitje van een cent geweest om mijn moeder gerust te stellen: Sinterklaas is gekleed zoals de hogepriesters in de Tempel van Jeruzalem. Hij is uitgedost zoals Aharon – wat maak je je druk? Noem hem Sint Aron! Misschien is het een idee om in het huidige gepolariseerde debat voor de kledij van Zwarte Piet terug te grijpen op de kleding van de Levieten; het is maar een suggestie. En maak dan gelijk van Sinterklaas een zwarte man, want dat schijnt de toenmalige heilige, die daadwerkelijk heeft bestaan, te zijn geweest.
Terug naar het feest en de verhalen erover van voor de oorlog. Clara Asscher-Pinkhof schreef het kinderboek Rozijntje. Roza (die door haar overleden moeder liefkozend Rozijntje werd genoemd) heeft een broertje Jupie. Zodra Jupie naar de basisschool gaat, wordt hij gewaar dat er zo iemand is als Sinterklaas; iemand die op een paard op de daken rijdt en samen met Zwarte Piet cadeautjes door de schoorsteen gooit. Behalve bij hem. Sinterklaas komt kennelijk niet bij joodse jongetjes. Uiteindelijk vindt er een Nederlandse uitvinding plaats: het Channeke-mannetje. Die neemt de functie van de Sint over. Het schijnt dat rabbijn Vorst het idee heeft opgepakt en in datzelfde Amstelveen waar ik mijn jeugd doorbracht, verhalen over het Channeke-mannetje heeft verzonnen. Nooit geweten. Echt prachtig is het verhaal Klaassie in het boek Kiekjes van rabbijn Meijer de Hond. Wat kon die man schrijven. Ongelooflijk. In Klaassie wordt Sinterklaas gespeeld door de joodse straatventer Anschel. Wat allerlei vragen oproept, bijvoorbeeld, kan deze zijn arbang kanfous aanhouden onder zijn Sinterklaaspak (arba kanfot/arbang kanfous: het kleine talliet dat vrome joden onder hun kleren dragen)? Tja… Lees het antwoord. Beide boeken, zowel Rozijntje als Kiekjes, zijn te vinden in de digitale bibliotheek van Crescas.
De verhalen van Asscher-Pinkhof en rabbijn De Hond illustreren iets wat te vaak wordt vergeten: joodse identiteit is nooit een Reinkultur geweest (het Duitse begrip geeft de beste nuances in dit geval). Hoe je joods was, en bent, wordt altijd diepgaand beïnvloed door de dominante cultuur. (Ik durf te zeggen: zelfs in Israël). Waren de vooroorlogse (opper)rabbijnen die na afloop van de Sjabbat naar datzelfde Concertgebouw gingen om naar de Mattheus Passion te luisteren, minder joods dan de anderen die niet gingen luisteren? Natuurlijk niet. Waren de Duitse Joden die naar Nederland vluchtten en het voor geen goud zonder kerstboom stelden, minder joods dan de Nederlandse Joden die never nooit een kerstboom zouden neerzetten in hun huis? Natuurlijk niet; ze waren joods op hun manier. Net zoals hun nakomelingen -van wie er nog steeds velen een kerstboom hebben- joods zijn, op hun manier. Of zoals Engelse Joden, die ik hetzelfde heb zien doen. Kerstbomen met Davidssterren om in de boom te hangen -  dat dan weer wel. Sinterklaas, een kerstboom, appelflappen en vuurwerk tijdens Oud en Nieuw – het hoort bij het Nederlandse Jodendom. En ondertussen vier je Chanoeka. Vroeger met Channeke-gelt, tegenwoordig mét cadeautjes. Chanoeka - het eigen feest dat het wonder van de continuïteit viert, met het licht dat zijn stralen onbegrensd het universum in stuurt. Hoe prachtig is het niet, om chanoekiot in alle maten en soorten te zien en te beseffen dat het licht er voor iedereen is. Geniet: van de muziek, van de cadeautjes, van de spelletjes – en van het licht. En ga de winter in met nieuw elan. Chanoeka Sameach.

Een sterke kehilla
Wat een prachtig moment was het: Ezra en Itai kwamen voor de bima staan om het Sjema te zeggen. Ze gaven leiding aan de sjoelgangers. Door die sjoelgangers werden ze wel een beetje overstemd, al probeerden de volwassenen het Sjema iets zachter te zeggen dan normaal, om de kinderen de kans te geven. De kabbalat Sjabbat op 26 oktober kreeg door het zacht uitgesproken Sjema van de kids iets heel intiems en een enorme focus. Dít was het moment, iets anders viel er niet te doen. Op 25 januari zal er een kinderdienst zijn; dan gaan we proberen nog veel meer kinderen een rol te laten te vervullen.
Deze dienst op de laatste vrijdag van de maand viel in een traditie van Beit HaChidush: de participatie-dienst, een dienst waarin zo veel mogelijk leden en vrienden hun inbreng hebben. Het was de tweede dit jaar, en het smaakt naar meer.
... meer info

Een traditie? Ja, in vroeger jaren werden de diensten veel vaker door meerdere mensen vorm gegeven. Het is een voordeel om een rabbijn te hebben, maar het heeft ook een nadeel: voor je het weet, laat je als kehilla te veel over aan de rabbijn. Die (spreekt zij voor zichzelf) vindt dat geen probleem, maar hoe meer expertise er is in een kehilla des te beter. Talloze vooroorlogse gemeenten in Nederland konden zich echt geen rabbijn veroorloven, die deden alles zelf. Een keer per jaar kwam de opperrabbijn langs om een kijkje te nemen. Dan was iedereen in de kille doodzenuwachtig en haalde opgelucht adem als hij weer vertrokken was. Talloze naoorlogse gemeenten hadden ook geen rabbijn, of liever, ze hadden/hebben een rabbijn op afstand. Een die een paar keer per jaar langskomt, of, zoals ik, die een keer per zes weken een dienst leidt (in Noord-Nederland).
De bar mitswaviering in sjoel was vroeger, denk ik - maar ik heb er nooit iemand een lezing over horen geven of er ook maar een artikel over gelezen – een manier om jongens op te leiden tot leiders van de dienst. Al vóórdat ze bar mitswa werden, kregen ze taken in de dienst te vervullen. Tijdens hun bar mitswaviering moesten ze dan de hele dienst leiden. En dan wist iedereen dat ze dat in het vervolg ook met de andere diensten konden.
Zo zal het bij ons nooit gaan, maar het is nu al fantastisch dat er zo veel mensen zijn die iets voor hun rekening nemen: een gedicht, een lied, een overweging, een stukje tekst uit de traditie, een derasja – hoe meer participatie, hoe steviger BHC wordt. En als dat met onze kinderen ook lukt, dat is het helemaal top.

sluit
Doodgewone feestdag
Twee maanden zonder joodse feestdagen. Rosj Hasjana, Jom Kippoer, Soekot en Simchat Tora zijn achter de rug, pas begin december is het Chanoeka. Dus, twee maanden zonder joodse feestdagen.
Maar wacht even, dat klopt niet. Elke week hebben we een feestdag. Immers Grote Verzoendag wordt een ‘sjabbat sjabbaton’ genoemd in Tora: een ‘sjabbat der sjabbatten’. Om te begrijpen wat Jom Kippoer is, is er een verwijzing naar de Sjabbat – zo is dat onmiddellijk duidelijk.
... meer info

Maar wacht even, is het meteen duidelijk? Voor velen is de Sjabbat geassocieerd met ‘je mag niks’. Niet met ‘je hoeft niets’: je bent vrijgesteld van de rat race waar je onherroepelijk in terecht komt als je niet uitkijkt. Het is zo verschrikkelijk moeilijk om je te onttrekken aan alles wat aandacht vraagt. Vroeger was dat alleen werk – de armoede was groot, de dieren moesten worden verzorgd, de baas onverbiddelijk – dat nooit stopte. Nu (ik zeg het ten overvloede) zijn er de talloze dingen in de vrije tijd die je verleiden om toch iets te doen: sport, shoppen, sociale media. Maar ook entertainment, reizen, klussen als hobby, en zo voort. Je mag niets, je hoeft niets – waar Sjabbat in diepste wezen over gaat is… je diepste wezen. Sjabbat geeft je de mogelijkheid om ‘te zijn’. En dat dan alleen of met anderen die je dierbaar zijn.

Hoe belangrijk dat is voor de voeding van lichaam en ziel werd me weer eens duidelijk door een documentaire over de modeontwerper Alexander McQueen. Op zijn veertigste maakte de buitensporig creatieve Lee (zijn eigenlijke roepnaam) een einde aan zijn leven. Hij werd geleefd door de mode-industrie. Met soms wel zestien modeshows per jaar. Hij was verantwoordelijk voor tientallen medewerkers en gaf dat als reden om niet te kunnen stoppen. De enige mogelijkheid om te stoppen was de zelfgekozen dood. Als hij Sjabbat had gehouden (hij was niet joods) was hij niet opgebrand, niet opgevreten door schuldgevoel en eenzaamheid, niet bezweken aan de verwachtingen die zijn omgeving, zijn werkgevers, de mode-journalisten en de rest van de wereld van hem hadden.

25 Uur per week op een stoel gaan zitten, een wandelingetje maken, een paar uur slapen, een paar uur naar sjoel, eten met vrienden en familie, een boek lezen… wij hebben het nodig. De aarde heeft dat van ons nodig. De samenleving heeft het nodig. Maar we gunnen het onszelf, de aarde en de samenleving niet. We gunnen het onszelf niet om ons diepste zelf te voeden, en tegelijkertijd ons lichaam te laten herstellen en ons sociale netwerk op te laden. We gunnen het onszelf niet. Of toch wel, dit jaar?! Dit nieuwe jaar dat we zo hoopvol zijn begonnen. Gunnen we onszelf een feestdag iedere week? Een doodgewone gewone feestdag?

sluit
Een nieuwe start
Alsof ik met een enorme stapel boeken en spullen van de zolder, over een smalle trap, een paar verdiepingen naar beneden, naar de begane grond moet. Zo voel ik me over september. Haal ik de eindstreep wel, met al die joodse feestdagen? En Rosj Hasjana, én Jom Kippoer, én Soekot, én Simchat Tora – allemaal in één maand. Het is niet meer dan in andere jaren, maar doordat het zich allemaal in september afspeelt, ‘voelt’ het overweldigender.
... meer info

Alle concepten en gevoelens komen voorbij: inkeer, opluchting, nederigheid, verbinding, schuld, onschuld, afhankelijkheid, overgave, weerloosheid, beschutting, onzekerheid, berusting, vreugde, opgetild worden, herstel, definitief breken, ontroering, verveling, vermoeidheid, verwarring, levendigheid, transformatie, stagnatie, begrip, verwarring, helderheid. Rituelen roepen gevoelens en gedachten op; ze hebben ook de functie om die vorm te geven en in goede banen te leiden. Het is één ding om je schuldig te voelen, maar er moet ook een plek zijn waar je je geaccepteerd weet - ondanks je fouten – louter en alleen omdat je door de Eeuwige op de wereld bent gezet. Het is prima om je bewust te zijn van de wankelheid van het bestaan, maar het is ook wat waard om te beseffen dat het leven misschien ook wel geleefd kan worden in een optrekje van stokken en doek. Het is prima om autonoom te zijn en veel alleen te doen, maar bidden met een gemeenschap voegt wel degelijk iets toe. Door de eeuwen heen zijn Joden in ieder geval op Rosj Hasjana en Jom Kippoer naar sjoel gekomen. Niet in de laatste plaats om te zien bij wie ze horen. Al die mensen die je in de loop van het jaar misschien een beetje vergeten bent. ‘Lang niet gezien. Je ziet er goed uit.’ ‘Hoe is het met je? Wat naar om te horen. Kan ik iets voor je doen?’ Je kunt wel weten dat je tot het joodse volk hoort (of je partner en/of je kinderen), maar daar horen ook gezichten bij, concrete mensen. Mensen die allemaal, net als jij, met al die concepten en gevoelens te maken hebben, erover nadenken, ze een plaats proberen te geven. Allemaal mensen die meer inzichten willen en vooral ook episodes willen afsluiten en een nieuwe start willen maken. Bij elkaar zitten, met elkaar zingen, samen stil zijn, samen kijken, elkaar begroeten en even aanraken. Het is allemaal zo belangrijk voor een mens. Iedereen is alleen… maar toch niet. Niet altijd. De maand september, de maanden elloel en tisjrie bieden de mogelijkheid om alleen te zijn én niet alleen te zijn. Kom naar sjoel en weet je ingebed. L’sjana towa!

sluit
Evelien Gans
Slechts weinigen van de leden en vrienden van Beth Ha'Chidush zullen Evelien Gans persoonlijk gekend hebben. Een enkeling heeft misschien wel eens een cursus van haar gevolgd. Of heeft (een van) haar boeken gelezen. Boeken over de joodse sociaal-democraten en socialistische zionisten, over Jaap en Ischa Meijer, over antisemitisme, over Gojse nijd en Joods narcisme. Toch voel ik de behoefte het op deze plaats over haar te hebben. Wat zij namelijk met flink wat van onze leden en vrienden deelde, was kind te zijn van gemengd gehuwde ouders, moeder niet-joods, vader joods. Ik waag te betwijfelen of zij door Joden in Nederland als niet-joods werd gezien, immers, als er iemand Joods was, dan toch zij. Maar voor haarzelf was het een probleem ‘om nergens bij te horen’. Gioer zat er voor haar niet in, omdat ze echt niet religieus was, of misschien zelfs atheïstisch zoals haar vader.
... meer info

En, tot nog toe is er in Nederland alleen een religieus traject (hoe zeer we ook ons best doen om het gioer-traject van BHC te schoeien op een meer culturele leest; wat trouwens heel erg moeilijk blijkt te zijn, maar dat terzijde).
Ze hoorde er beslist wél bij, getuige de vijfhonderd mensen – joods en niet-joods - die donderdag 26 juli naar De Duif in Amsterdam waren gekomen om afscheid van haar te nemen; daar werd vooral over haar gesproken als wetenschapper. Ze hoorde er beslist wél bij, getuige de honderdvijftig de dag erna op de Nieuwe Oosterbegraafplaats. Maar ‘er niet bij horen’ is voor velen zo’n oud, diepgeworteld gevoel, zo’n diepgevoelde ervaring van verwonding, dat soms niets of niemand het kan wegnemen.
Wie iets wil weten over Nederlands Jodendom in de laatste honderd jaar, kan niet om Eveliens werk heen.
Bij dat werk wist Evelien juist het ‘er niet bijhoren’ tot een voordeel om te buigen: ze schreef wat zij vond dat geschreven moest worden, ongeacht of ze daar zelf kleerscheuren aan zou overhouden, haar toegebracht door de verschillende in-crowds. Als je ‘erbij hoort’, heb je belangen te verdedigen, ligt de neiging tot het produceren van verontschuldigingsteksten op de loer, doe je af en toe water in de wijn uit angst verstoten of buitengesloten te worden. Haar enige belang was waarheidsvinding. Daartoe zette ze haar buitenstaanderschap in.
‘Kleerscheuren’- de term komt ongetwijfeld uit het domein van het fysieke gevecht. Maar ‘het scheuren van kleren’, de keri’a, hoort ook bij de dood, in het Jodendom. Het is het teken van rouw in Tenach. Onze voorouders zaten niet alleen ‘in zak en as’, in hun wanhoop scheurden ze ook hun kleren. (Terwijl ze waarschijnlijk alleen de kleren hadden die ze droegen; ze hadden geen garderobe waarin nog wel een oud bloesje, jurkje, jasje of pak te vinden was, waarin een keri gemaakt kon worden zonder dat het ‘zonde’ was). Evelien vocht. En werd daarbij aan stukken gescheurd door haar tegenstanders, zoals zij ook haar tegenstanders aan stukken scheurde. Dat alles verbaal. Ze vocht ook met zichzelf. Het lijkt erop dat ze die strijd heeft verloren. Maar wie kan dat – uiteindelijk – over een ander zeggen?!
Lees haar boeken. Vooral, wat mij betreft, het al genoemde Gojse nijd en Joods narcisme en leer er in ieder geval van wat eerlijkheid en onverschrokkenheid vermag. Twee behulpzame persoonlijkheidskenmerken die je kunt ontwikkelen en die je kunt inzetten bij het zelfonderzoek waartoe Rosj Hasjana en Jom Kippoer ons aanzetten.

sluit
Kraai-graai gedrag en de Talmoed
Boekhandels zijn voor mij wat casino’s zijn voor gokverslaafden. Bij Hugendubel dus toch naar binnen. Het assortiment Jodendom is een reflectie van de gemarginaliseerde positie die onze godsdienst/beschaving inmiddels heeft in Europa. Van de vijf boeken koop ik er twee. “Basiswissen Judentum” van de collegae Andreas Nachama en Walter Homolka en wetenschapper Hartmut Bomhoff. Niets nieuws, maar ik wil het rustig kunnen doorbladeren om te zien waar zij de accenten leggen.
... meer info

Merkwaardig, to say the least, is “Der Talmud”. Uitgegeven door Anaconda, een uitgeverij met een wel zeer onjoodse naam. Voor de spotprijs van €3,95 publiceren ze “Kleine Klassieken”, van Lewis Caroll tot Freud, van Kafka tot Nietzsche, tientallen titels voor minder dan een Kaffee mit Kuchen. “Der Talmud” heeft ook een spotprijs: €7,95. Het is een vertaling door Jakob Fromer van stukken uit de Babylonische Talmoed. Wie hij was kan niet simpel via internet worden achterhaald. Wel dat hij in Berlijn Charlottenburg woonde. Oorspronkelijk werd zijn vertaling in 1924 uitgegeven door de Brandussche Verlagsbuchhandlung, in de Bambergerstrasse, waarschijnlijk op loopafstand van zijn woning. Het was een uitgeverij en een boekhandel tegelijkertijd, beiden gedreven door Martin Brandus, die in 1905 in Berlijn kwam wonen. Wat is het lot geweest van Fromer en Brandus? Waren zij vrienden, of hadden zij slechts een zakelijke relatie, heette de een ‘Vrome’, maar was het niet, of paste die naam precies, was het een kleine boekhandel of een flinke, is hij blijven bestaan?
De Talmoed heeft pagina’s die worden aangeduid als ‘Blatt’, folio-bladen. Fromer heeft er 114 van vertaald. Soms geeft hij aan dat een stukje ‘woordelijk vertaald’ is, implicerend dat andere stukken een weergave in eigen woorden zijn. Het opmerkelijke is, dat het boek heel leesbaar is en toegankelijk. Dat is met andere Talmoedvertalingen wel eens anders. De Hugendubel-vestiging in de wijk Steglitz ligt in een straat met 500 winkels, op loopafstand van mijn Berlijnse woning.
Wat heeft de inkoper bezield om juist dit boek in te slaan? Had ik het op de plank moeten laten staan voor een geïnteresseerde koper, die eigenlijk in de winkelstraat was om kaas, een nieuwe telefoon, schoenen, een zitbank, kleren, ijs of een fototoestel te kopen? Heb ik iemand met mijn kraai-graai-gedrag voedsel voor zijn/haar ziel onthouden? Welke engel gaat mij hier ooit op aanspreken: „Benima, je had al meer dan genoeg boeken, “Der Talmud” hadden wij daar neergezet voor …”
Gelukkig kunnen wij de zeer langdurige effecten van ons gedrag niet overzien, anders zouden we geen stap meer zetten. En zou ik geen boekhandel meer binnen gaan.

sluit
Wat zit ‘er in’?
Daniël Boyarin is een van mijn favoriete geleerden. Terwijl ik af en toe bij literaire grootheden blij ben dat ze maar een beperkt oeuvre hebben (dan staart hun ongelezen werk me niet steeds schaamteloos en beschuldigend aan: ‘Nog niet gelezen, nog steeds niet gelezen, wanneer ga je mij nou lezen’), ben ik bij sommige wetenschappers helemaal gelukkig als er meer boeken van hen te verorberen zijn.
... meer info

Boyarin is een Talmoedgeleerde die moderne inzichten op de Talmoed en andere rabbijnse teksten loslaat. In zijn Unheroic Conduct, The Rise of Heterosexuality and the Invention of the Jewish Man was dat de psychoanalyse. Met dat boek wist hij mij ervan te overtuigen dat het ideaal van de macho-man (seksueel dominant en agressief) niet universeel is en dat de rabbijnen een heel ander ideaal van mannelijkheid ontwikkelden: zachtmoedig, studieus, monogaam. Wie in de vroege christelijke geschriften als joodse geschriften geïnteresseerd is, leze The Jewish Gospels. Maar er is zo veel meer: Borderlines, the Partition of Judaeo-Christianity (vier eeuwen daadwerkelijk joods-christelijke beschaving en hoe daar een einde aan kwam) of A Radical Jew, Paul and the Politics of Identity.
Boyarin was een paar dagen in Groningen om te studeren met Nederlandse specialisten en studenten. Daar werd door een collega hoogleraar Carnal Israel: Reading Sex in Talmudic Culture geroemd als de in haar ogen meest beslissende studie.
Boyarin oogt als het joodse ideaaltype van een man, zoals hij die heeft beschreven: frèle bijna, maar niet omblaasbaar, de dikke brillenglazen van het studiehoofd, vlasbaardje. En al 51 jaar getrouwd met dezelfde vrouw. De tweedaagse workshop waarvoor hij naar Nederland was gekomen, had emoties in de rabbijnse teksten tot thema. De Amerikaanse hoogleraar (University of Berkeley) bleek geïnteresseerd in de ideeën van de Braziliaanse antropoloog Eduardo Viveiros de Castro. Die waarschuwt ervoor dat we andere culturen misschien wel eens niet zouden kunnen begrijpen. Leden van andere culturen zouden wel eens fundamenteel anders naar de wereld kunnen kijken en zelfs emoties hebben die specifiek voor hen zijn. Emoties die niet universeel zijn.
Wat te denken bijvoorbeeld van rabbi Rachoemi over wie wordt verteld in de Babylonische Talmoed (bT Ketoebot 62B). Hij studeerde bij zijn leraar Rava, die ver weg woonde en kwam alleen op erev Jom Kippoer thuis. Maar één keer verleidde een passage in de Talmoed hem zo zeer, dat hij vergat naar huis te gaan. Zijn eenzame echtgenote was zeer verdrietig. Bij de eerste traan die zij liet, stortte het dak van het beth midrasj naar beneden en doodde rabbi Rachoemi. Wat voor emotie was daar in het spel, vroeg Boyarin zich af. Liefde? Liefde voor de Talmoed?
In een prachtige voordracht wist hij zijn gehoor ervan te overtuigen de emotie die tot het leren van Talmoed leidde bij de Talmoedgeleerden en de emotie die dat studeren bij hen opriep, een emotie is die wij helemaal niet meer kennen. En we kunnen er waarschijnlijk ook niet meer achter komen wat die emotie was. We zijn dus gewaarschuwd om voorzichtig te zijn om de oude teksten al te gemakkelijk te interpreteren vanuit ons eigen denkkader en vanuit ons eigen emotionele palet.
Wat geldt voor de studie van Talmoed, geldt natuurlijk ook voor de studie van Tanach. De Talmoedgeleerde Ben Bag Bag had als spreuk over de Wijsheid: ‘Wentel je er in, wentel je er in, want alles is er in’. (Spreuken der Vaderen V:24). Dat is beslist waar. Maar, met de waarschuwing van Daniël Boyarin in het hoofd: wat is het dat je er in vindt?

sluit
Bruid en koningin
Vlak voor het zingen van Lecha Dodi, tijdens de vrijdagavonddienst op Koningsdag, boog Bob Newmark zich naar mij toe. „Wat is eigenlijk het verschil tussen ‘bruid’ en ‘koningin’?” We noemen de Sjabbat immers ‘bruid’ en we noemen de Sjabbat ‘koningin’. Dus inderdaad, hoezo twee begrippen? De term ‘bruid’, kalla, zit in het refrein: „Lecha dodi, likrat kalla (…), Ga, mijn geliefde, de bruid tegemoet (…).” Plus, in het laatste couplet vragen we: „Boï kalla, boï kalla, Kom toch, o bruid, kom toch, o bruid,” terwijl de deur is geopend om haar binnen te laten. Bij die laatste zin buigen we. Vreemd, eigenlijk, want bij de binnenkomst van een bruid buigt men niet. Dat buigen heeft te maken met dat andere beeld van de Sjabbat: koningin. We verwelkomen Koningin Sjabbat.
... meer info

Doorgaans is het joodse volk de bruid: de bruid van de Eeuwige. In Jesjaja 62:5 heet het: „Zoals een jongeman met een maagd leeft, zo zullen jouw kinderen in jouw leven, en zoals een bruidegom zich verheugt over zijn bruid, zo zal jouw God zich verheugen over jou.” Hoewel de Eeuwige natuurlijk absoluut geen gender heeft, gebruikt Tanach bijna altijd de mannelijke vorm wanneer de Eeuwige spreekt (wajomer: (hij) sprak). Bovendien worden er talloze mannelijke benamingen gebruikt: koning, heerser, strijder, verlosser, genezer, bevrijder, enzovoort. En dus ook: echtgenoot. Het Verbond dat op Sinaï werd gesloten tussen de Eeuwige en het joodse volk is als een huwelijk. De band wordt gesmeed door de liefde. Maar net als in een huwelijk zijn er ook verplichtingen van de een ten opzichte van de ander. Als het volk zich niet aan de ‘huwelijkse’ plicht houdt, wordt er gesproken in termen van overspel. De profeet Hosjea zegt het in hoofdstuk 9:1 zo: „Wees maar niet zo vrolijk, Israël, houd ermee op zo te jubelen als de andere volkeren: in overspel heb je je God verlaten; je was altijd uit op hoerenloon, overal waar graan werd gedorst.” Maar pas op, het joodse volk draagt de naam van Jisraël, de naam die Ja’akov krijgt na de nachtelijke worsteling met een engel en/of zijn broer en/of zichzelf. Daarom staat er twee hoofdstukken verder in hetzelfde boek Hosjea: „Toen Jisraël nog jong was kreeg ik hem (!) lief, uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen.”
Terug naar Lecha dodi. Daarin zijn wij, de Bné Jisraël, de nakomelingen van Ja’akov de bruidegom, en is God-in-de-gedaante-van-de-Sjabbat de bruid. De Sjabbat is een heel opmerkelijk en ongewoon iets. In de stroom van de tijd wordt een ‘plek’ gecreëerd voor het tijdloze, een ‘plek’ waarin de tijd eigenlijk ‘ophoudt’. De Eeuwige draagt een vier-letterige naam-die-geen-naam is en die uitdrukt dat er in het goddelijke domein geen tijd bestaat: alles is/was/zal zijn op ‘hetzelfde moment’ (ik gebruik veel aanhalingstekens om de beperkingen van de taal aan te geven). De Sjabbat is gewijd aan dit tijdloze domein, deze tijdloze toestand. Niet zo vreemd dus dat het opgaan van twee geliefden in elkaar, waarbij zij het tijdloze ervaren, gebruikt wordt om de band tussen God en Jisraël te beschrijven. In conservatieve man-vrouw-taal.
In de Middeleeuwen ontstond ook het beeld van de Sjechina, de Aanwezigheid van God. Een eigenstandige manifestatie van het goddelijke. Hoewel het Hebreeuwse woord oorspronkelijk geen vrouwelijke connotatie had, kreeg het die wel door de kabbalisten. Misschien werden de kabbalisten hierin beïnvloed door de Maria-cultus die ongeveer tegelijktijdig ontstond. Misschien ook reageerden zowel christenen als joden op dezelfde maatschappelijk-culturele omstandigheden en zochten naar het ‘vrouwelijke’ aspect van God. Als God koning is, dan is de Sjechiena koningin. In de Zohar, het canonieke boek van de kabbala, vindt met ook daadwerkelijk teksten waarin sprake is van de goddelijke koningin; de bruid van de Eeuwige. Zij, de Sjechiena, is met het joodse volk in ballingschap gegaan, sinds de verwoesting van de Tempel. Aangezien de Sjabbat het hoogtepunt van het joodse bestaan is, krijgt de Sjabbat iets koninklijks, of beter koninginnelijks. Het laatste couplet van Lecha dodi begint dan ook met „Boï wesjalom, kom in vrede, ateret ba’ala, kroon van haar echtgenoot.” In dat ‘ateret ba’ala zijn bruid en koningin samengevloeid.
Overigens, Chabad geeft een nieuwe vertaling van het refrein van Lecha dodi: „Come out my beloved, the bride to meet; The inner light of Shabbat, let us greet.” De Eeuwige wordt in alle mogelijke hoedanigheden begroet, met een buiging.

sluit
Licht en antwoord
Ik heb een broertje dood aan alle opgelegde morele ontwikkeling, en ik heb ook een broertje dood aan een Huil-geschiedenis van het Jodendom. En laten die nou allebei ruim baan krijgen tijdens de Omertijd die net is begonnen.
... meer info

Wat is de Omertijd? Tussen de Uittocht uit Egypte (Pesach) en het Ontvangen van de Tora op Sinaï (Sjawoe’ot) moeten zeven weken worden geteld. Dat schrijft de Tora voor. Op de vijftigste dag is het dan Sjawoe’ot. Wanneer je met dat tellen moet beginnen is – dat viel te verwachten –natuurlijk onderwerp van heftige discussie geweest. Tussen de rabbijnen en de Karaïeten, en tussen de rabbijnen onderling. In onze traditie beginnen we met tellen op de tweede dag Pesach. Over de redenen waarom is natuurlijk ook flink gesteggeld. De voor mij meest invoelbare reden is dat er een verbinding wordt gemaakt tussen Uittocht en Openbaring. De Uittocht is nodig om ons te bevrijden van de onderdrukking door de farao en zijn regime. De Openbaring geeft ons een ander soort vrijheid: de vrijheid om ons leven te laten leiden door de Eeuwige. De boodschap van de verbinding is dat vrijheid-van-onderdrukking alleen zin heeft als we hem gebruiken voor vrijheid-om-als-Mensch-te-leven.
Waar komt nou die opgelegde morele ontwikkeling om de hoek kijken? De kabbalisten zien de zeven weken van de Omer-telling als een periode waarin men zich zodanig ontwikkelt, dat men waardig is de Tora te ontvangen. Volgens het kabbalistische denken zijn er tien krachten/factoren/gemanifesteerde aspecten van God werkzaam in de schepping. Zeven daarvan staan in het middelpunt van de belangstelling tijdens de Omer: chesed (liefde), gewoera (macht; ook wel din: gerechtigheid genoemd), tif’eret (schoonheid), netsach (overwinning), hod (erkenning), jesod (fundatie), malchoet (koningschap). Elke week wijden de kabbalisten aan een van deze zogeheten sefirot (meervoud van sefira). En elke dag in een bepaalde week wordt dan gefocussed op de sefira van de week plus één van de zeven (Dus in week 1: chesed en bijvoorbeeld in week 1 op dag 3: chesed en tif’eret). Door elke dag bezig te zijn met deze goddelijke aspecten in de wereld en in jezelf, word je – zo is de veronderstelling – een beter mens.
Het zal zeker helpen, maar ik heb er dus een broertje dood aan. Want ik word er zenuwachtig van. In de loop van mijn leven ben ik, denk ik, steeds wel een beetje meer een beter mens geworden, maar niet door daar over na te denken, maar door de emotionele en psychische rommel op te ruimen. En door hard te werken. En door de adviezen van leermeesters (m/v) op te volgen. Zo’n traject van 49 dagen voorbereiding op de Openbaring op Sinaï zie ik als opgelegd pandoer. Maar ja, ik zal het zeker mis hebben. Dus volg mij niet en probeer een keer dat 49-dagen-traject van mens-verbetering aan de hand van de kabbalisten te volgen. En laat me vooral weten of het heeft gewerkt. En hoe?
Van een Huil-geschiedenis van het jodendom moet ik ook niets hebben. Wat bedoel ik daarmee? Een geschiedenis van het joodse volk waarin vooral over de ellende wordt verteld. Het verhaal waarin moeiteloos van de Babylonische ballingschap naar de vernietiging van de Tweede Tempel wordt gestapt, van de pogroms tijdens de kruistochten naar de pogroms tijdens de pest, van de verdrijving uit Engeland, Frankrijk, Spanje en Portugal naar de geslotenheid van de gilden, van het antisemitisme in de 19e eeuw naar de pogroms in Rusland aan het begin van de 20ste eeuw en dan als sluitstuk de Sjoa. En dan al enige niet-ramp de vestiging van de Staat Israël. De ‘lacrymose interpretation of jewish history’ noemt de historicus Yosef Hayim Yerushalmi dat in zijn boek Zakhor. Met de Omer is het raak op dit punt. Je zou denken dat die zeven weken die er worden geteld tussen Pesach en Sjawoe’ot een verwachtingsvolle tijd is. Maar nee, het is een rouwperiode, die slechts door één dag wordt onderbroken: Lag Ba’Omer. We rouwen om de 24.000 studenten van rabbi Akiwa die door een ziekteplaag zouden zijn gestorven. Zeker weten of dat ook inderdaad heeft plaatsgevonden, weten we niet. Maar de traditie zegt het. En ook, dat het sterven op Lag Ba’Omer even stopte. In de rouwperiode van de Omer-telling mag men geen nieuwe kleren aantrekken, het haar niet knippen, geen feest vieren, niet trouwen, etc. Behalve dus op Lag Ba’Omer. Als het vast zou staan dat rabbi Akiwa’s studenten massaal de dood vonden bijna 2000 jaar geleden, zou ook ik het vanzelfsprekend vinden om te rouwen. Maar het staat niet vast. Vandaar dat ‘dode broertje’. Waar komt die uitdrukking trouwens vandaan: ‘Daar heb ik een broertje dood aan?’
Hoe het zij, de periode tussen Pesach en Sjawoe’ot is bijzonder. Ik hoop dat ik toch nog eens een invulling van die telling vind die me wel aanspreekt. En ik troost me met de gedachte dat er jaren kunnen verstrijken, totdat je een bevredigend antwoord aangereikt krijgt. Zoals rabbi El’azar ben Azarja die pas een licht opging over een bepaalde zinsnede in een gebod toen Ben Zoma het voor hem verduidelijkte. Er wordt over hen verteld in de Haggada.
Ik wens iedereen nogmaals chag sameach en een betekenisvolle Omertijd toe.

sluit
Het wijde land in
Passie. Het is echt niet mijn woord. Maar het lijkt erop dat ik behalve voor boeken en kunst (en nog een paar zaken) een passie heb: het contact tussen joden en christenen. Vooral in de maanden maart en april is dat, nog meer dan de rest van het jaar, aan de orde. Tijdens het gesprek over al dan niet toegelaten worden op de rabbijnenopleiding van het Levisson Instituut, werd mij gevraagd wat ik wilde gaan doen als ik eenmaal rabbijn was? „Ik wil rabbijn zijn voor de tachtig procent van de joden die niet bij een kerkgenootschap zijn aangesloten.” Rabbijn zijn van een kehilla stond niet op mijn verlanglijstje. Het is anders gelopen.
... meer info

Bij de Progressief Joodse Gemeente Noord Nederland, in Zuidlaren, ben ik gelukkig als rabbijn, en bij Beit HaChidush al evenzeer; dat laatste moet overduidelijk zijn voor iedereen die mij meemaakt bij BHC. De rabbijn voor de ‘tachtig procent’ ben ik beslist (nog) niet. Maar mijn verlangen om buiten het georganiseerde Jodendom te werken, heeft wel op een andere manier vorm gekregen. Al sinds ik in opleiding ben, geef ik lezingen voor niet-joden. Veel jaren in zogeheten Leerhuizen, waar joden en christenen samenkomen om joodse teksten te bestuderen. Maar op de een of andere manier kun je daar wel veel over het Jodendom vertellen, maar er ontbreekt iets. De laatste zes jaar ‘doe’ ik seiders met niet-joden. Eerst in het Leerhuis van de Olterterperkring in Beetsterzwaag. Daarna ook met christelijke studenten in Groningen. Maar ook wel eens met een kerkgemeeschap, zoals in Heemskerk. Het geeft zo’n ander gevoel om de matze daadwerkelijk te breken en niet alleen over het breken van het brood te praten. Of om een seider mee te maken zoals het avondmaal van Jezus, immers er zijn speculaties dat het avondmaal een seidermaaltijd was. Wat is er mooier dan te spreken over wat de bevrijdende momenten zijn geweest in het afgelopen jaar? Of welke manier ben jij uit het Land van Benauwenis, Mitsjrajiem, gekomen? Wat was jouw jetsiat Mitsrajiem? Iedereen kan daarover meepraten. Toch!? Drie doe ik er dit jaar, naast de ‘gewone’ seiders in mijn beide kehillot (BHC en PJGNN).
Een tweede trektocht, het wijde land van mensen in, is het Ojec-weekend. Vroeger kwamen er wel duizend mensen naar de symposia die het Overlegorgaan Joden en Christenen organiseerden. Tegenwoordig zijn nog slechts een handjevol geïnteresseerd in de joodse oorsprong van het Christendom. Maar een harde kern wil de ontmoeting echt. Daar is het Ojec-weekend voor bedoeld. Vroeger een heel weekend, nu een vrijdagavond en een zaterdag, oftewel een Sjabbat lang. De vrijdagavond wordt gevierd, er wordt gelernd, de sidra behandeld, en dit jaar staat er iets bijzonders op het programma. Een familieopstelling. Het thema daarvan is de sibling rivalry tussen joden en christenen. En de theorieën van René Girard worden uitgelegd. Helaas zijn er maar een paar joden die meedoen. Ik hoop nog mensen te enthousiasmeren, ook al is het kort dag (9 en 10 maart).
Een derde jetsiat Mitsrajiem zijn voor mij de preken die ik soms op zondagen in kerken mag houden. Zoals op 25 maart in Drachten. Mét een joods thema, met joodse liederen en/of de psalmen op joodse melodieën, de beracha voor de zieken en het herdenken van de doden. Ik ben altijd weer ontroerd hoezeer het mij mogelijk wordt gemaakt in een christelijke omgeving te functioneren. Jezus, de Heilige Geest en de drieëenheid worden niet genoemd, en er wordt ook niet over gezongen. Er is nog genoeg dat wel kan.
En last but not least, de Open Synagogediensten. Sinds juni vorig jaar zijn we in Gouda, Drachten, Laren, Spijkenisse en Sleeuwijk geweest. In maart gaan we naar Ossendrecht. Wat is het? We doen daar een Kabbalat Sjabbatdienst, zoals we die doen bij Beit HaChidush, met een heel klein beetje meer uitleg, maar geen aanpassingen. Alexander is de vaste chazzan van dienst en er is inmiddels een groep BHC’ers die meereizen, zodat er altijd een minjan is. De belangstelling is enorm. Er komen tussen de 90 en 160 mensen, onder wie ook joden voor wie om de een of andere reden de drempel van de synagoge te hoog is.
Met Pesach vieren we dat wij van een ander volk weg zijn getrokken; een volk dat ons onderdrukte. We zijn naar het Beloofde Land getrokken – een daadwerkelijk beloofd land, en een symbolisch beloofd land. De realiteit is dat we al weer duizenden jaren temidden van anderen en mét anderen wonen, zelfs in Israel. Zij moeten zich verhouden tot ons, maar wij ook met hen. Er zijn redenen genoeg om afstand te bewaren; of wantrouwig tegenover hen te staan – wat kunnen we van hen verwachten? Maar ik en de BHC’ers die met mij meetrekken (Open Diensten) of mee komen (Ojec-weekend) ervaren het als heel bevrijdend om de niet-joden die belangstelling hebben te kunnen beleven hoe het is om tehillim te zingen, om een derasja te horen, om over jetsiat Mitsrajiem te praten alsof het hen zelf betreft, om berachot te zeggen, om een kiddoesj mee te maken. Het doet goed om te zien en te horen dat mensen het echt bijzonder vinden. En om te zien, te horen en te ervaren dat er daar echt iets ten goede ‘verschuift’. Bij hun, bij ons. Ik kijk echt met verlangen uit naar de komende vijf weken. En ik wens ieder alvast chag sameach en veel bevrijding.

Rabbijn Tamarah Benima

sluit
Luik open
Call me by your name is een buitengewoon sensuele film over een homoseksueel stel, zelfs voor een hetero als ikzelf. Prachtig. Het is bijna een instructieve film, voor een hetero als ikzelf, over verliefdheid, seksuele aantrekkingskracht en liefde tussen twee mannen. Het einde is hartverscheurend. Wat zou het mooi zijn geweest als er een ander einde was geweest. Was dat echt in het jaar waarin de film speelt, 1987, nog niet mogelijk? De film is terecht genomineerd voor een Oscar. (Even een zijsprong: van de vijf buitenlandse films met een nominatie heb ik alleen The Insult nog niet gezien; wat mij betreft krijgen On Body and Soul, The Square en Una Mujer Fantástica een gedeelde eerste plaats).
... meer info

Opmerkelijk aan Call me by your name is dat de hoofdpersonen joods zijn. Maar dat joods-zijn speelt geen rol. Althans, ik heb er geen functie voor kunnen vinden. Het gezin dat er in figureert vertoont geen joods gedrag (wat dat ook moge zijn). Er wordt geen joods feest gevierd (dus gelukkig blijft ons een Staphorster vertoning van joodse gebruiken bespaard). Zijn de hoofdpersonen besneden? Het zal wel (maar is van geen enkel belang). Werd homoseksualiteit meer geaccepteerd in een intellectuele joodse familie, in 1987?

Dat is nog maar de vraag. Een van de twee hoofdpersonen draagt een Davidsterretje. Het heeft geen extra betekenis. Zou het kunnen dat de regisseur Luca Guadagnino expres het joods-zijn als vanzelfsprekend opvoert? Iets waar geen verklaring of rechtvaardiging voor nodig is? Of heeft het te maken met het boek van André Aciman, waarop de film is gebaseerd? Aciman groeide op in Egypte als telg van een Sefardisch-joodse familie die in 1965 vluchtte en via Italië in de Verenigde Staten terecht kwam. In Egypte, Italië en de VS moet het heel verschillend zijn geweest voor hem om joods te zijn. Voor Call me by your name kreeg Aciman prijzen, maar ook zijn boek Out of Egypt wordt geroemd.

Hoe het zij, Oscar, Elio en Elio’s ouders zijn joods en dat is net zo gewoon als zouden ze katholiek, protestants of atheïst zijn. Ik moest daar even aan wennen, want ‘gewoon, vanzelfsprekend joods’ – wie kan dat zijn in de huidige wereld? Aan ‘joods’ hangen altijd een stel ratelende luilak-blikjes (bestaan die nog?): Sjoa, Israël, kolonisten, Palestijnen, VN-resoluties, raketten, nederzettingen, demonstraties, vredesbesprekingen, Hamas, tunnels, kasjroet, vluchtelingenkampen, keppeltjes op straat, stenen, vlaggen, journalisten, Amerikaanse presidenten, Amnesty International, Tel Aviv, ultra-orthodoxen… ‘joods’ en ‘stil’ – het gaat niet samen. ‘Joods’ en ‘niks te melden’ – het gaat niet samen. ‘Joods’ en ‘niks te verantwoorden’ – het gaat niet samen.

Maar dus wel in deze film. Tenzij ik iets volledig over het hoofd heb gezien – dat kan. Maar ik denk het niet. En waarom is deze film zo belangrijk dat ik hem hier bespreek, terwijl ik het ook over Poerim zou kunnen hebben? Omdat onze joodse identiteit wordt opgetuigd met behulp van grote en grootse verhalen. Onze identiteit als Joden wordt gestut, vormgegeven, bij elkaar gehouden door drama’s, in de theatrale zin van het woord. Poerim is zo’n verhaal: koningen, koninginnen, vazallen, paleizen, intriges, moordplannen, optekeningen, opvoeringen, schoonheidswedstrijden, trouwerijen, reddingsplannen, genocide, ondergang en overwinning.

Als je de narratieven van de joodse feesten mag geloven (en doe dat vooral) is er niks ‘gewoon’ aan het jood zijn en de joodse geschiedenis. Maar soms is een opening die ons de mogelijkheid om even te ontspannen van onze daadwerkelijk serieuze taak - ‘jood-zijn’. Dan wordt er even een luik geopend, zijn mensen joods en doet dat er verder niet toe. Het is gewoon zo; waarom zou dat van commentaar moeten worden voorzien?!  Call me by your name biedt zo’n moment om even ‘gewoon jood’ te zijn. Het is een goed evenwicht tegen een narratief als Poerim. Tenzij je het boek Esther uitsluitend als entertainment opvat. Maar om de een of andere reden lijkt mij dat niet zo’n goed idee.

sluit
De niggoen van de nesjomme
Het was de warmste Oudejaarsdag sinds de temperatuur op de laatste dag van het gewone jaar wordt gemeten in Nederland. Hoe zal het zijn op Toe Bisjwat (de avond van 30 en de dag van 31 januari)? De dag en het feest dat gewijd is aan de bomen, in hun letterlijke en in hun symbolische betekenis. Zal het guur zijn, of zacht? Zal er sneeuw liggen? Of zal juist alles vroegtijdig uitbotten? Wat voor jaar gaan we van 2018 maken? Een guur jaar, of een zacht jaar waarin iedereen kan bloeien? Zullen er nog meer nieuwe leden en vrienden toestromen die bij ons een ets chajiem, een levensboom, vinden om aan vast te houden? Welke bloesems zullen de nieuwe leden en vrienden blijken te zijn die onze kehilla in 2017 kwamen versterken?
... meer info

Ik hoop vurig dat ze in ieder geval goede zangstemmen hebben. Het wordt me meer en meer duidelijk dat de nesjomme gekleed gaat in zang. In kinderliedjes, kampvuurliedjes, gezongen gebeden, moderne Israelische volksliedjes en popsongs, in klassiekers die op een oneindige hoeveelheid melodieën kunnen worden gezongen en worden gezongen, in woordloos geneurie, in de spontane medolieën die opwellen uit de stilte. De liedjes en liederen zijn de vruchten van de ets chajiem,  dragers van het zaad voor nieuwe, ‘joodse’, bomen met sterke joodse wortels. Vanaf deze maand beginnen we met een half uurtje oefenen van joodse liederen uit de dienst, vóór de tweede Kabbalat Sjabbatdienst van de maand. Hoe meer mensen kunnen meezingen tijdens de diensten en tijdens de Tisches, hoe sterkter de kehilla wordt. Want zingen verbindt, het heelt, het geeft expressie aan dat wat uiteindelijk niet onder woorden te brengen is. Het haalt je ‘uit je hoofd’ en brengt je ‘in je hart’.

Dat we vaak geen idee hebben wat we zingen, doet er niet echt toe. Meer nog dan de sjoel, meer nog dan de rabbijn, meer nog dan de kiddoesjiem en de feesten, zijn het de joodse melodieën waarmee mensen opgroeien of die ze op hun joodse transformatie-reis voor het eerst hebben gehoord, die zorgen dat mensen hun sjoel en kehilla ervaren als thuis: dit is mijn sjoel, die is mijn kehilla, dit is mijn jodendom. De opdracht voor onze kehilla is dus: welke zangcultuur kunnen we als kehilla ontwikkelen opdat iedereen genoeg van zijn eigen sjoelmuziek terugvindt in de diensten om een vertrouwd gevoel te krijgen. Als ik één wens voor 2018 heb, is het dat we een nog meer dan we al zijn een zingende sjoel worden, waarin iedereen kan en durft mee te zingen, waarin iedereen zijn eigen muziekcultuur inbrengt, en iedereen de niggoen (spirituele ‘wijs’) vindt waarvan de nesjomme zegt: ‘Dat is mijn melodie. Dít is de draad tussen mij en het Al, het Eeuwige, het leven’.

sluit
Een traditie van dankbaarheid
„Moda/Modé ani lefanécha, melech chai wekajam… Ik dank Jou, levende en eeuwige koning..” Dat is het eerste gebed dat we zeggen als we wakker worden. Gedurende de dag volgen er nog veel meer momenten waarop we dankzeggen. Voor van alles en nog wat: voor het feit dat we geschapen zijn als vrije mensen, voor ons levensonderhoud, voor onze kracht, voor het wegnemen van de slaap uit onze ogen. In de Amida, het zogeheten Staande Gebed dat drie keer per dag wordt uitgesproken, danken we God zelfs omdat hij onze God is, en de God van de generaties vóór ons: „modiem anachnoe lach…”
... meer info

Na het eten zeggen we een dankgebed, het birkat hamazon. En we danken, als we naar de wc zijn geweest, omdat de Eeuwige ons in Zijn/Haar wijsheid heeft geschapen met openingen en sluitingen die op tijd werken.

Doordat ik voor de Amerikaance Vrouwenclub van Amsterdam was uitgenodigd te spreken tijdens hun Thanksgivingdienst, realiseerde ik me pas in volle omvang dat het joodse religieuze leven doorspekt is van gebeden, lieden, rituelen, feesten die allemaal over dankbaarheid gaan. Denk aan Chanoeka, dat deze maand wordt gevierd. Een feest uit dankbaarheid dat de Tempel weer kon worden gebruikt en een feest dat viert dat er licht is in de donkere periode van het jaar. Die focus op dankbaarheid geldt ook voor andere godsdiensten en wijsheidstradities. Zij onderwijzen allemaal een attitude van dankbaarheid en een discipline van dankbaarheid.

Waarom eigenlijk?

De Nederlandse socioloog Johan Goudsblom werd wereldberoemd met het studieboek Vuur en beschaving (1992), waarin hij stelt dat wij van apen mensen werden op het moment dat we vuur leerden gebruiken. Dat betekende ook dat we planten en dieren konden koken die ongekookt oneetbaar zijn. Onze creatieve verbeeldingskracht stelde ons daartoe in staat. Beresjiet/Genesis stelt dat de mens geschapen is naar het evenbeeld van God. Hoe dan? Het antwoord van mijn Soefi-leraar Fazal Inayat Khan was: we lijken op de Eeuwige door onze creatieve verbeeldingskracht; dat is wat we met elkaar gemeen hebben.

Maar we zijn dan wel beschaafd, we zijn ook dieren gebleven. Onze creatieve verbeeldingskracht tempert ons alarmisme niet (wakkert het misschien soms zelfs aan). Bij het minste geringste staan onze zintuigen op scherp: is er gevaar te duchten? Waar komt het vandaan? Is het dichtbij of veraf? Als je niet oplet en het gevaar niet ziet aankomen, verspeel je je leven. Alleen zo kan ik begrijpen dat onze media een oneindige stroom ongelukken, ruzies, natuurrampen, vetes, orkanen, moorden, rampen over ons uitstorten, ook al vinden die soms duizenden kilometers ver weg plaats. Een busongeluk in Venezuela. Een zandstorm in midden-China. Waarom zouden wij dat moeten weten? Dat hoeven we niet te weten, maar op de redacties van kranten en televisie en op de sociale media luidt ons aapse overlevingsmechanisme voortdurend de alarmbel. Het resultaat is een reëel, maar ook volledig verdraaid beeld van de wereld.

Dat is waar de religieuze wijsheidstraditie van dankbaarheid ingrijpt. Met gebeden en rituelen wordt het evenwicht hersteld. De blik wordt de hele dag door gericht op de goede, functionerende zaken die we als vanzelfsprekend aannemen, maar dat niet zijn, zoals het goed werken van darmen en blaas. Of: dat we überhaupt wakker worden. Of: dat we kunnen bewegen. Soms doet alles pijn en kost alles moeite. Maar dan nog, het is zoals het in het Nisjmat-gebed staat: we zijn niet in staat om ooit voor alles wat er aan goeds in ons leven is te danken. Er is onwaarschijnlijk veel waar we van schrikken, er is heel veel leed en onrecht in de wereld. En toch, in verhouding tot alles wat er elke fractie van een seconde goed gaat in het universum, is het beperkt. De discipline van dankbaarheid brengt de noodzakelijke relativering.

Chag sameach. Ik wens iedereen een mooie Chanoeka.

sluit
De zegen van de vrouwen
De collegezaal van de Universiteit van Paderborn zat bomvol tijdens de oratie van rabbijn prof. dr. Elisa Klapheck. De eerste rabbijn van Beit HaChidush kwam ons – Harald, Anneloes, Renée en ikzelf – vooraf begroeten. Zó blij was ze met de delegatie uit Nederland, dat ze dat ook nog vermeldde in haar welkomstwoorden tot de toegestroomde belangstellenden. Elisa werd vorig jaar al aangesteld als hoogleraar Joodse Studies bij het Zentrum für Komparative Theologie und Kulturwissenschaften (ZeKK), oftwel het Centrum voor Vergelijkende Theologie en Cultuurwetenschappen. Voor haar oratie had ze dus al een jaar college gegeven aan de universiteit. Een oratie komt altijd later. Zoals ook nu.
... meer info

Van het onderwerp van haar oratie had ik nog nooit gehoord: Pnina Navè Levinson. Ze werd in Berlijn geboren, was assistent van Martin Buber, maakte voor de oorlog aliya, leerde in Israël haar eveneens Duits-joodse echtgenoot Peter Levinson kennen en keerde met hem naar Duitsland terug. Ze studeerde theologie en publiceerde als eerste vrouw een boek over joodse theologie. Velen zijn de mening toegedaan dat joodse theologie niet bestaat of kan bestaan. Maar bij die stelling zijn heel wat kanttekeningen te maken. Hoe het zij, Pnina en haar man (landsrabbijn van Baden-Würtemberg) vatten al begin jaren zeventig de idee op om een onderwijsinstituut op te richten waar rabbijnen, voorzangers en leraren zouden worden opgeleid. In 1979 werd dat plan gerealiseerd en ontstond de Hochschule für Jüdische Studien in Heidelberg. Pnina, in intellectueel opzicht veruit de meerdere van haar man, werd echter nooit hoogleraar, zoals ze hoopte en zoals haar toekwam. Een ander aspect van haar belang is haar inzet voor de joods-christelijke dialoog. Ook daarin was ze pionier.

Elisa vertelde ons na afloop waarom ze het over Pnina wilde hebben. Ze wil duidelijk maken dat haar eigen hoogleraarschap niet uit de lucht komt vallen. Er waren al vrouwen die zo’n professoraat hadden verdiend, bijvoorbeeld Pnina. Oftewel, je moet je voorgangers de eer geven die hen toekomt. Een goed Talmoedisch principe. In haar oratie gaf ze een andere reden. Waarom zien we zo weinig van sterke vrouwen in de publieke ruimte (ik geef Elisa’s woorden heel vrij weer). In Tanach zie je hoe mannen de macht en de kennis overdragen via een zegen. Mosje zegent Jehosjoe’a, zijn opvolger. Het voorbeeld dat zij gaf. Vrouwen dragen hun kracht en macht en kennis niet over op die manier. Althans, tijdens een ontmoeting maakte de hoogbejaarde Pnina een gebaar tegenover Elisa, waardoor de laatste voelde dat zij het vertrouwen kreeg om in haar voetsporen te treden en verantwoordelijkheid te dragen (ook weer in mijn woorden).

In alle tradities bestaat er generationele overdracht van macht, kracht, kennis en invloed. Elisa heeft me aan het denken gezet. Hoe doen wij dat? Hoe zouden we het kunnen doen? Hoe geven ouders hun kinderen en leraren hun leerlingen het zelfvertrouwen om op onderzoek uit te gaan en vaardigheden te ontwikkelen én om die kennis en vaardigheden in te zetten op verantwoordelijke posten? Het was goed om de oratie mee te maken en goed om te zien hoezeer Elisa een plek heeft verworven in het publieke domein. Kol hakawod, voorgangster!

sluit
Waarheid en illusie
Anders dan andere jaren heb ik dit jaar goede voornemens gemaakt die erg lijken op de goede voornemens die anderen maken rond het seculiere Nieuwjaar. Eén hele drastische, die mijn leven diepgaand moet veranderen, is er bij. Net als mensen die zich voornemen om te stoppen met roken of veertig kilo af te vallen of te stoppen met drinken of… vul maar in, denk ik: dat gaat me nooit lukken. Ik moet echt iets opgeven dat diep in ‘mijn systeem’ verankerd zit. Bepaald gedrag (dat ik bijna automatisch doe) moet stoppen. Maar hoe? Bewust worden, bewust worden, bewust worden is het devies. Mijn oog valt op een boek met de titel ‘Resurrection’. Een boek waarin ook het joodse perspectief daarop over het voetlicht wordt gebracht, al zou je dat op het eerste gezicht, afgaande op de titel, niet zeggen. Opstanding, joods? Ja, ook. Oud gedrag loslaten en met een opgeschoonde persoonlijkheid verder gaan, is een soort opstanding. Toch?!
... meer info

In de loop van het leven heb je jezelf in een kuil vast weten te zetten – als een Josef, als een Daniël. Je bent een beetje dood gegaan, al had je dat helemaal niet in de gaten, want het gedrag dat moet worden losgelaten is geen slecht gedrag. Het is goed gedrag, in ieder geval goed bedoeld gedrag, gedrag dat anderen lovenswaardig vinden, gedrag dat door de rabbijnen wordt aangeprezen. En toch is het schadelijk. Voor mij, voor anderen.

Wat me bezighoudt bij dit hele proces van heroriëntatie op mijn gedrag (en ik denk dat iedereen dit overkomt die in de spiegel kijkt) is dat het vreselijk moeilijk is om te bepalen wat ‘goed’ en ‘kwaad’ is. Als het om de extremen gaat is het gemakkelijk: iemand vermoorden is kwaad, iemand van de verdrinkingsdood redden is goed. Maar wat is goed en wat is kwaad als het gaat om anderen helpen? Iemand moet worden geholpen, maar wanneer neem je de verantwoordelijkheid van die persoon over en dus van hem/haar weg? Om maar iets te noemen.

Of, op een heel ander vlak, is het goed om de meest initiatief rijke en hoog opgeleide personen als immigrant te accepteren en het land waar zij vandaan komen achter te laten met de armsten, de minst opgeleide, degenen die de moed niet hebben om weg te gaan, zodat het land zeker geen kans heeft om zich te ontwikkelen?

Het doel van de spirituele training die ik volg is: zo veel afstand kunnen nemen van mijn eigen gedrag en dat van anderen, én van mijn interpretaties van dat gedrag en het gedrag van anderen, dat het niet meer gaat om ‘goed’ en ‘kwaad’ maar om ‘waar’ en ‘illusie’. Op die oneindige weg naar dat doel ben ik nog niet meer dan een millimeter (of minder) gevorderd. Maar ik wil. En ik moet erin geloven. Waar zijn goede voornemens anders voor. De loelav wijst er bovendien op dat de weg niet alleen recht vooruit gaat, maar in alle richtingen tegelijk. Met een groter bewustzijn is het ook beter in een ‘wankel huis’, wat de soeka is, te wonen. Met meer vreugde, met meer licht. Chag sameach.

sluit
Terugkijken, elke dag
Bijna twintig jaar geleden deed ik een retraite-achtige cursus. Je werd er geconfronteerd met flink veel van de eigen vaste overtuigingen die het leven alleen maar moeilijker maakten. Er werd je gereedschap aangereikt om er een paar weg te doen. Met goed resultaat. Dat gold ook voor partners. Ook die kregen gereedschap om een vruchtbaarder relatie te ontwikkelen. Waarom stranden zo veel huwelijken of relaties tussen partners? Hoe verandert de liefde in haat of -als het geen haat is- grondige afkeer? Meestal niet door grote zaken, maar door kleine. Kleine irritaties, kleine teleurstellingen, kleine misverstanden, kleine misstappen. De crux was het steeds maar opnieuw terugkeren van die kleine irritaties en teleurstellingen, misverstanden en misstappen.
... meer info

Zij bouwen een muur, steen voor steen, totdat de muur zo hoog is dat de echtgenoten/partners/vrienden er niet meer overheen kunnen kijken en elkaar niet meer zien. Vrienden van mij die ook naar de cursus gingen (zij waren later in hun leven getrouwd), namen de les ter harte. Ze bepaalden een vaste tijd in de week dat ze ‘ervoor gingen zitten’. Vaak, zo vertelden ze mij, begonnen ze aan zo’n gesprek met het idee dat er niets te bespreken viel. Dat alles die afgelopen week prima was verlopen. Dat er geen ruzies waren geweest. Of bijgelegd. Dat er niks was in het gedrag van de ander waaraan men zich had verwond. Maar iedere week opnieuw bleek er toch iets gezegd dat ‘was blijven hangen’, was er toch een moment gekeken op een manier die onaangenaam was geweest, was er een gebaar gemaakt dat pijn deed, was er een belofte niet nagekomen, was er – onnodig – te laat of geen aandacht besteed aan de emotionele behoefte van de ander, was er onbegrip geweest, hoe vluchtig ook.

De joodse traditie is zich bewust van de noodzaak om steeds weer opnieuw hart en hoofd op te schonen. Dagelijks, voordat we gaan slapen zeggen we een aantal gebeden. We beginnen met: „Hierbij vergeef ik eenieder die mij boos heeft gemaakt of mij heeft geïrriteerd, die mij schade heeft berokkend, hetzij lichamelijk, hetzij financieel, die mijn eer en goede naam heeft geschaad, of op enigerlei andere wijze mij heeft benadeeld, met geweld of moedwillig, per vergissing of met opzet, met woorden of met daden. En moge niemand vanwege mij worden gestraft.” (In de LJG-siddoer staat „door mijn toedoen”).

Als je dit gebed serieus wilt nemen, en niet als een formule wilt uitspreken, omdat dat nu eenmaal hoort bij de voorbereiding van het slapen gaan, betekent het dat je even ervoor moet gaan zitten. Wat heeft mij boos gemaakt, wat geïrriteerd? Wie heeft mij schade berokkend? En op welke manier? Erg, niet erg? Als je werkelijk zinsnede voor zinsnede aandacht geeft, kom je noodzakelijkerwijs tot een observatie van alles wat er die dag is voorgevallen tussen jou en anderen. En hoewel in het gebed is geformuleerd dat jij de ander vergeeft, kán het niet anders, of jouw eigen aandeel in het geheel wordt ook zichtbaar. Vandaar misschien die dubbelzinnige slotzin, waarin de aandacht gericht is op degene die het gebed uitspreekt.

Stel dat we allemaal iedere dag dit gebed (dat vóór het Sjema wordt uitgesproken) met de allergrootste aandacht zouden lezen en stap voor stap de dag zouden doorvlooien, opdat we de relatie met anderen zouden opschonen, hoe zouden we dan Rosj Hasjana en Jom Kippoer ingaan? Het zou een enorm verschil maken, nietwaar?! (Hetzelfde geldt trouwens voor het dagelijks zeggen van de Widdoei, de opsomming

van tekortkomingen, nalatigheden en overtredingen). Voor de meesten van ons zijn de Hoge Feestdagen, en de weken ervoor, de gelegenheid waar we er eens ‘voor gaan zitten’. Maar zelfs dan zijn we vaak meer bezig met het zeggen van de woorden van het Asjamnoe en het Al Cheet (de twee ‘zondenbelijdenissen) dan in het stilstaan bij de persoonlijke werkelijkheid waarnaar zij verwijzen.

Rosj Hasjana en Jom Kippoer gaan over het opschonen van de relatie met de Eeuwige. Ook tussen ons en de Eeuwige wordt gedurende het jaar een muur opgebouwd. Althans, het is onze fantasie dat de Allerhoogste zich regelmatig ergert aan ons, of teleurgesteld is in ons, of kwaad is op ons, of genoeg van ons heeft. De Tora spreekt immers op die manier over de Almachtige: als een ‘Iemand’ die ons regelmatig zat is omdat we ons op kleine en grote manieren niet houden aan het Verbond, het contract tussen de Eeuwige en het joodse volk, en tussen de Eeuwige en iedere individuele jood en jodin. Ook die muur moet worden afgebroken, vandaar het Asjamnoe en het Al Cheet.

Tegelijkertijd gaat het om de opschoning van relaties tussen mensen. Om er maar van te zwijgen dat het misschien slechts een fictie is dat er een scheiding is tussen de Eeuwige en de wereld van de mensen.

Met Rosj Hasjana en Jom Kippoer proberen we er alles aan te doen om met de Eeuwige, de ander en onszelf in het reine te komen We proberen de muren te slechten en maken goede voornemens om die in het nieuwe jaar niet opnieuw te laten ontstaan. Meestal denken we daarbij aan specifieke, concrete veranderingen in ons gedraag. Maar zou het niet kunnen dat de verandering fundamenteler én praktischer tegelijkertijd zou moeten zijn: de Hoge Feestdagen zouden er toe kunnen inspireren om dagelijks tijd nemen om stap voor stap de dag door te nemen om te kijken wat er is gebeurd. Het beste zou zijn om dat zonder veroordeling te doen, van onszelf noch de ander. Eerst alleen maar ‘kijken’: wat is er gebeurd, welke gedachten heb ik (gehad), welke gevoelens, welke oordelen. En dan: vergeven/loslaten – wat trouwens al gebeurt tijdens het kijken, zo zul je merken.

Rosj Hasjana en Jom Kippoer zijn een kleine oefening in dat zitten en reflecteren en loslaten. Moge de Jamiem Noraïem, de Ontzagwekkende Dagen mooi en goed zijn, vol inzicht, wijsheid en aanvaarding. En mogen zij voor jullie de opstap worden voor een goed jaar: met gezondheid en vriendschap, succes en geluk, wijsheid en inzicht, plezier en bevrijding.

sluit
Liefde, zomaar!
De maand augustus is met Tisja beAv begonnen. De gebeurtenissen die met Tisja beAv worden herdacht (de verwoesting van de Eerste en de Tweede Tempel, maar ook andere rampen voor het joodse volk) vormen en sterke waarschuwing tegen sinat chinam, ongefundeerde haat. Haat om niet. Zomaar. Haat uit luiheid. Haat uit zelfgenoegzaamheid. Haat uit machtswellust. Haat zonder dat degene of de groep die wordt gehaat daar ook maar enige aanleiding toe heeft gegeven. Sinat chinam is een Talmoedische term. Door de verwoesting van de Tempels ligt deze maand open als een vlakte waarop van alles kan worden gebouwd: of die leeg gelaten kan blijven. (Althans tot dinsdagavond 22 augustus, wanneer de maand elloel begint).
... meer info

De vergelijking dringt zich op van het uur meditatie dat vooraf zou moeten gaan aan het davvenen en het uur meditatie dat zou moeten volgen op het davvenen. De aanbeveling komt van de Talmoedrabbijnen. Drie keer per dag davvenen (bidden), zes uur per dag mediteren. Hoevelen in de joodse geschiedenis hebben de aanbeveling van de rabbijnen en geleerden gevolgd?

Vanaf eind augustus is er van alles te doen: de weken die vooraf gaan aan Rosj Hasjana, Rosj Hasjana zelf, de tussendagen, Jom Kippoer. Maar in de maand Av is er niet zo veel te doen. Behalve de treurdag Tisja beAv, op de 9de van de maand, is er trouwens ook Toe beAv, op de 15e van de maand. Het is een weinig bekende feestdag waarop de kans dat je de partner ontmoet die de goddelijke wereld voor je heeft bestemd, iets groter is dan normaal (als je die al gevonden hebt). Misschien zou je Toe beAv de dag kunnen noemen van ahavat chinam, liefde om niet. Liefde zomaar. Liefde zonder dat de ander daartoe een aanleiding heeft gegeven. Die geliefde verdient het om liefgehad te worden, maar niet omdat de geliefde daar iets speciaals voor hoeft te doen, de geliefde is zichzelf en dat is genoeg.

De vergelijking tussen Toe beAv en Valentijnsdag wordt gemaakt, maar slaat volgens mij de plank mis. Met Valentijnsdag is er geen sprake van een spirituele dimensie. Met Toe beAv wel. De idee is dat in de andere wereld geliefden worden gekoppeld; dat er één speciale geliefde voor je is uitgezocht door de engelen. Dat klopt met het gevoel dat je kunt hebben als je de ‘ware’ vindt, dat je daar ‘niets voor gedaan hebt’, dat de geliefde je in de schoot is komen vallen, dat het ‘van buiten’ is bestierd.

Voor mensen die geen partner hebben of willen, een toevoeging. In het vlakke landschap van augustus/Av kom je misschien geen persoon tegen aan wie je je hart wilt geven, maar wel een taak of zaak die je hart steelt. Dat hebben de engelen dan vast ook uitgedacht.

sluit
Een echte namaak-Tora
‘Helemaal leuk!, helemaal leuk!’, hoor ik mezelf als een mantra zeggen. Steeds weer opnieuw. Vanaf het moment dat ik hem zie in de vitrine van de winkel in het Joodse Historische Museum, terwijl ik naar huis rijd met de plastic zak van het JHM aan mijn fiets, tot aan het moment dat ik hem op mijn tafel thuis leg. ‘Helemaal leuk!’ ‘Hem’ is een een kleine Torarol – 24 cm hoog, op stokken, met piepkleine nep-zilveren kroontjes op de stokken.
... meer info

Hij heeft ook een Toramanteltje, een namaak-zilveren schild en een namaak-zilveren jadje. De tekst is geprint. Dus hij kan op geen enkele manier worden gebruikt in sjoel. Maar hij lijkt me prima om uit te leren layenen. De geprinte ‘namaak’-Tora is heel goed leesbaar. En het papier waarop hij is gedrukt, ziet er aan de achterkant (die je ziet als hij is opgerold) als perkament uit. Een paar jaar geleden stond er een print-machine in het Joods Museum te Berlijn, die een Torarol printte. Helaas heb ik dat toen niet gezien. Maar ik dacht wel: als de Tora kan worden geprint, komt de mogelijkheid dat iedereen een Torarol heeft eindelijk binnen handbereik. De Tora op een rol is toch iets anders dan een Tora in een boek. Een geschreven Tora heeft iets magisch. Een geschreven Tora hoort tot de andere wereld. Maar een geschreven Tora is ook onbetaalbaar voor allen behalve een enkeling. (Overigens, een Torarol die is geprint, op ware grootte, is geen kosjere Torarol, hij mag niet voor liturgische doeleinden worden gebruikt).

Vanwaar dat visuele beeld van ‘iedereen een Tora’? Als allerlaatste mitswa (nummer 613) geeft Mosjé iedereen de opdracht om een Torarol te schrijven, althans zo hebben de Talmoedrabbijnen de uitspraak in Dewariem / Deuteronomium 31:19 geïnterpreteerd. „Welnu, schrijft u deze zang op en leer hem aan de kinderen Israëls, leg hem in hun mond, opdat deze zang tot een getuige is tegenover de kinderen Israels.” De ‘zang’ waarover Mosjé het heeft is feitelijk het lied dat met het woord ‘ha’azienoe’ begint en daarom ook zo wordt genoemd (Dewariem / Deuteronomium 32:1-43). Maar in de Talmoed vat de geleerde Rava deze uitspraak breder op. Dan slaat de opdracht van Mosjé niet alleen op Ha’azinoe, maar op de hele Tora.

De achtergrond van mitswa 613 – dat elke volwasssene een Tora schrijft of laat schrijven - is dat de Tora wordt geleerd, van generatie op generatie. Om te voorkomen dat leerstof naar eigen inzicht uit de Tora wordt geplukt, is het verboden (voor liturgische en voor leerdoeleinden) om slechts stukken Tora te schrijven. Als het om ander rituele gebruik gaat, zoals een tekst voor tefillien of mezoeza, dan is het schrijven van een stukje Tora uiteraard wel toegestaan.

Iedereen is trouwens gehouden aan deze mitswa van het schrijven van een Torarol. Maar je mag wel iemand anders een Sefer Tora laten schrijven in jouw naam. En het is ook mogelijk om een aantal letters of een vers of een klein stukje te laten schrijven in jouw naam (en de sofeer, de schrijver, daarvoor te betalen). Zo wordt soms een nieuw Sefer aangeschaft door een kehilla. Als lid van een kehilla word je trouwens geacht mede-eigenaar te zijn van de Torarol, in ieder geval op het moment dat je wordt opgeroepen om er uit te (laten) lezen. Na je aliya gaat het ‘eigendom’ weer terug naar de kehilla.

Hoe het zij, naast alle boeken met een Tora erin, heb ik nu ook een Tora op een rol met twee stokken. Zoals jullie weten ben ik erg voor namaak-spullen: kunstbloemen, kunst-edelstenen, kunst-parels, affiches van kunstwerken die ik in geen honderd jaar kan aanschaffen, namaak-antieke Oosterse meubels. Dus nu een ‘namaak-Tora’. Helemaal leuk! En misschien komt het laten schrijven een ‘eigen’ Sefer Tora ook nog wel eens in beeld.

sluit
Ieders eigen vlag
Deze hele maand lezen we het boek Bemidbar en we gaan ermee door tot 22 juli. Het begin van Bemidbar, dat we al gelezen, bestudeerd en gelajend hebben, hebben we al gehad. Het begint heel merkwaardig. Met een telling van de Israëlitische mannen. Het zijn er 600.000. Als het volk optrekt, wordt ieder neergezet onder de banier van de eigen stam.
... meer info

Drie stammen aan de rechterkant, drie stammen aan de linkerkant, drie stammen aan de voorkant, drie stammen aan de achterkant. De rechterkant, de linkerkant, de voorkant en de achterkant van wat? Van de aron hakodesj. Die staat in het hart van dit vierkant. In de aron zitten zowel de brokstukken van de Stenen Tafelen die Mosjé heeft kapot gegooid (naar aanleiding van het incident met het gouden kalf) als de Stenen Tafelen die de Eeuwige opnieuw heeft beschreven en aan Mosjé heeft gegeven.

Zou die opstelling van iedere stam op zijn eigen plaats een manier zijn om het aantal conflicten zo laag mogelijk te houden? Stammenconflicten zijn verschrikkelijk. Lees de laatste hoofdstukken van het boek Rechters (Richteren) en gruw. De stam Benjamin gaat bijna ten onder. En komt er weer een beetje bovenop door een actie die ook geen schoonheidsprijs verdient (om het eufemistisch te zeggen). Maar dat speelt zich allemaal later af. We zijn nog be-midbar, in de wildernis. Er moet worden opgetrokken naar Erets Kenaän, het land dat door de Eeuwige aan Abraham en zijn nakomelingen is beloofd. De aron hakodesj met de Stenen Tafelen, met daarop de Tien Woorden, is wat beschermd moet worden. Tegelijkertijd is de aron hakodesj datgene dat bescherming geeft. Althans, niet de aron geeft bescherming, maar de Tora die erin ligt.

Zoals gezegd, stammen staan elkaar doorgaans naar het leven (dat is in de hele wereld zo), maar door gericht te zijn op iets dat ‘buiten’ hen stond, iets dat ‘alles oversteeg’, iets dat het ‘transcendente was en vertegenwoordigde’, was de focus daarop gericht. En niet op de haat en nijd, de afgunst en ergernis, de liefdeloosheid en de ongevoeligheid, het onbegrip en de lompheid die er altijd tussen mensen bestaat.

Van de twaalf stammen die optrokken in de wildernis is er nog maar een over, Jehoeda (met een klein beetje Benjamin). De andere tien zijn in de wereld verdwenen. Dat laatste is tragisch. Maar het is misschien ook een van de oorzaken van het behoud van het joods volk. Doordat het nog maar één stam is (waar ontelbare individuen zich bij hebben aangesloten) zijn echte stammentwisten ons bespaard gebleven; stammentwisten die al lang een einde aan am Jisrael zouden hebben gemaakt.

Maar er is iets anders voor in de plaats gekomen: ideologische stammentwisten. Je hoeft alleen maar te kijken naar de strijd rond de kotel – wie mag er davvenen bij de Klaagmuur, mannen apart, vrouwen apart, of mannen en vrouwen samen? Wie mag er wanneer uit de Tora lezen, mannen alleen, vrouwen alleen, of mannen en vrouwen samen? Wie mag wat aan hebben: keppeltje, talles, tefilien, mannen, vrouwen of allebei – en je ziet dezelfde destructieve krachten aan het werk als bij ‘gewone’ stammentwisten.

Het enige dat daartegen helpt is de focus te houden (of terug te brengen) op dat wat in het hart moet staan tussen de verschillende groeperingen (ieder onder zijn eigen banier): de Tora. Alleen door allen daarop gericht te zijn, kunnen we de destructieve gevoelens, gedachten, intenties en daden vervangen door constructieve. Zodat we, allen onder onze eigen ‘vlag’, samen verder kunnen optrekken naar het ‘Beloofde Land’ – waar zich dat ook bevindt, of zal bevinden, nu of in de toekomst.

sluit
Een paard dat Baroech heet
Vroeg in de avond dwaal ik door het Friese landschap op zoek naar een betaalbaar Bed and Breakfast. Bij Beekdalhoeve Koningsdiep in Ureterp mag ik in mijn eentje op de kleine slaapzaal slapen en werken in de kantine.
... meer info

Dagenlang kan ik er heerlijk rustig zitten schrijven. Slaapzaal en kantine hebben allebei ramen aan de ene kant met uitzicht op de binnenmanege en ramen aan de andere kant met uitzicht op de natuur. Koningsdiep is een camping maar ook een paardenfokkerij en – pension. Er staan zo’n zestig paarden.’s Ochtends zie ik ze van de stal naar de weide rennen. Een adembenemend gezicht. Met open mond sta ik ook te kijken naar het behakken van de hoeven door de hoefsmid. Hij buigt een van de benen, klemt het kniegewricht onder zijn oksel, buigt het enkelgewricht en zet dat klem tussen zijn dijen en hakt en knipt het teveel aan hoorn weg. Machtig interessant. Je wordt er helemaal Zen van, lijkt me. Mien, 71, eigenares, vraagt bij aankomst wat ik doe. Ze zegt: „Ik heb een paard Baroech genoemd. Dat betekent ‘gezegend’.” De moeder van Baroech kreeg ze voor niks, want eigenlijk moest het dier worden afgemaakt. Maar Mien zag kwaliteiten in de merrie en begon met haar te fokken. „Baroech is een goed paard, net als haar moeder.” (Zou de afstamming van de moeder ook al bij paarden van belang zijn?  Ik vergeet het haar te vragen). Mien is ongelooflijk. Ze is kokkin geweest in een instelling en heeft in de zorg gewerkt, maar ze heeft ook rechten gestudeerd en geografie. Ze verdiept zich nu in de pachtwetgeving, de restitutiewetgeving, de retentiewetgeving en de mestwetgeving. Mien is voor niks bang en door en door ‘groen’. Een deel van de 37 hectaren van haar bedrijf heeft ze teruggegeven aan de natuur, om zo de destructie van Mansholts ruilverkaveling ongedaan te maken. De paardenmest wil ze laten fermenteren (echt goed voor het milieu). Ze blijkt opgegroeid in het hartje van Groningen. Als ik haar vertel dat ik een dienst ga leiden, vraagt ze: „In het Jiddisj.” „Nee, in het Nederlandse en het Hebreeuws.” Ze kent talloze Jiddisje woorden, in haar jeugd opgedaan, onder andere, bij de kosjere slager in de buurt. Die was er dus nog, na de oorlog. Van mij wil ze precies weten wat het verschil is tussen Jiddisj en Hebreeuws. Mien wil hoe dan ook alles weten. Niet alleen over joodse dingen. En het lijkt me niet dat Mien zich ooit door iets of iemand laat weerhouden. Zelf schrijft ze haar vechtlust en haar liefde en intuïtieve kennis van paarden toe aan de afstamming van een hoge militair uit het Pruisische leger (een paar honderd jaar geleden). Ze vertelt over haar tante, ook Mien. „Díe had moed!” zegt ze met onverholen bewondering. „Er waren Duitse soldaten bij haar ingekwartierd. Maar in haar kelder zaten onderduikers. De Duitsers hadden schepen vol aardappelen en kolen, in de buurt. Die ging ze stelen.” Voor haar onderduikers. Ze had met recht gotspe. „Ze nodigde de soldaten uit voor het kerstdiner en zei: ‘Maar jullie moeten wel aardappelen meenemen.’ De onderduikers had ze ook uitgenodigd; die zaten ook aan tafel. ‘Dat is familie die op bezoek is.’ De Duitse jongens vertelden dat ze daar helemaal niet wilden zijn. Ze heeft daarna nooit meer last van ze gehad.”
Ruurd, 79, doet nog al het zware werk. Aan het eind van de middag komt hij een biertje drinken. In de kantine. Hij heeft zijn eigen oorlogstraumata. Hij was erbij, zeven jaar oud, toen zijn vader werd gearresteerd. Ze waren met paarden onderweg naar Assen. Ruurds vader werd opgepakt, werd te werk gesteld als dwangarbeider, ontsnapte en dook onder. Toen hij thuis kwam, herkende Ruurd zijn vader niet meer. Het gezin waarin Ruurd opgroeide had ook zelf onderduikers, onder wie een gedeserteerde SS’er. „Waren er ook joodse onderduikers?” „Dat weet ik niet. Ik was een kind. Mij maakte het ook niet uit. Iedereen is mens.” Als hij over zijn „Mientje” spreekt, glinsteren zijn ogen. Hij wachtte twintig jaar op haar - een ware Jakob in nieuwe gedaante. Dat zat zo. Ruurd was zo vreselijk verlegen – ‘bleu’ noemt Mien het – dat hij niets durfde te ondernemen. Maar het had ook te maken met een andere mentaliteit: „Als je een vrouw wilde trouwen, moest je haar ook wat te bieden hebben. En wij hadden het erg krap, erg krap.” Zijn familie was gewoon te arm voor een huwelijk van Ruurd. Pas na een echtscheiding, belandde Mientje in de echtelijke „koets” van Ruurd. Ze zijn nu 25 jaar getrouwd. En dat alles in een dorp in Friesland. Het is me al zo vaak opgevallen dat mensen die geïnteresseerd zijn in het Jodendom, vaak uit een familie komen die hulp gaf aan joodse onderduikers of anderszins in het verzet zat. Het leven van Mien en Ruurd brengt ook het samenleven van Joden en niet-Joden vóór de oorlog én na de oorlog in herinnering. Er waren zo veel Joden in het Noorden en de grensstreken die in de veehandel zaten, in de koeien, maar ook in de paarden. Ik denk aan de marskramers, zoals mijn grootvader, die vanuit Winschoten langs dit soort boerderijen en bedrijven trokken om hun brood te verdienen. De kosjere slagers met hun tal van niet-joodse klanten. En de zorg voor de zwakkeren, zoals die in joodse gezinnen en christelijke gezinnen werd gegeven. Mien heeft naast alle zorg die ze geeft aan gasten zoals ik en zoals de gescheiden man die in een camper bivakkeert, ook nog een autistische meisje als stagiaire. Ze werken en werken, zijn goed voor mens, dier en milieu, waren goed in de oorlog en blijken ook nog een nieuwerwetse Jacob en Rachel te zijn. In Ureterp, of all places. Men kan ‘het gezicht’ van de Eeuwige God echt overal zien

sluit
Moed
Het is meer dan duidelijk dat vrijheid een kernbegrip is met Pesach. Wij, het Joodse volk, krijgen onze vrijheid. We krijgen de kans om aan onze onderdrukkers te ontsnappen. En we nemen de kans.
... meer info

Meer dan ooit ben ik me ervan bewust hoeveel moed het vergt om te ontsnappen en de kans op vrijheid te grijpen. Stel je eens voor: eeuwen lang heb je noch als individu noch als groep noch als volk ook maar iets kunnen beslissen over de invulling van het leven. Alles is van bovenaf bepaald. Niet alleen wat verboden is, maar ook wat is toegestaan. Wanneer er wordt gewerkt, wanneer er een beetje rust is (als die rust er al is), wat er wordt gegeten, wat er moet worden gebouwd, gesjouwd, omgespit, dichtgegooid. En dan opeens doet zich die mogelijkheid voor om uit de situatie weg te trekken. Daar is moed voor nodig. Oneindig veel moed. Zeker als je weet dat je met allen die wegtrekken door de wildernis heen moet, voordat je misschien een plek vindt die beter is. En of je die plek vindt, is nog maar de vraag.
Natuurlijk kun je moed putten uit het feit dat je niet alleen ontsnapt, maar met de anderen van het volk en met degenen die ook naar de vrijheid smachten. Maar is dat genoeg? Is het genoeg om de angst te onderdrukken voor het leger van de Farao. Is het genoeg om de angst voor het onbekende in bedwang te houden. Is het genoeg om niet in wanhoop te verzinken als je staat aan de oever van de Rietzee, die nog niet is gesplitst?
Niet voor niets is de naam bekend van degene die zich als eerste in de Rietzee stortte – voordat de zee naar twee kanten wegvloeide en de droge bodem zichtbaar werd. Nachshon.
Er was trouwens al eerder moed nodig. De Eeuwige geeft de instructie dat de Bné Jisrael, de nakomelingen van Ja’akov, kleren en waardevolle voorwerpen moeten vragen aan hun buren. Ik kan me van mezelf niet voorstellen dat ik naar mijn buren zou gaan en zeggen: „Hebben jullie kleren voor mij, en gouden en zilveren voorwerpen, want ik ga met mijn hele familie en mijn volk weg. We komen niet meer terug.” Ik zou doodsangsten uitstaan of wegkruipen van schaamte om dat alles te vragen aan de voormalige onderdrukkers of hun familie. Immers, dat is een bizar verzoek. En de Bné Jisraël konden niet weten dat de Egyptenaren hen gunstig gezind waren. Althans, volgens Exodus.
Moed dus. Veel moed. Om de vrijheid te verwerven is ontzettend veel moed nodig. Hoe ellendig het leven ook is, om een andere weg in te slaan is moed nodig. Nog steeds. En dat geldt voor iedereen. Vrijheid is een prachtig begrip, maar in de praktijk roept het ook veel angst op. Want zul je niet te veel aan je lot over worden gelaten als je echt vrij bent? Kun je de vrijheid wel aan? Kun je zoveel verantwoordelijkheid voor je eigen leven en lot wel aan? Zul je niet willen terugvallen op het oude vertrouwde, hoe ondermijnend dat oude vertrouwde ook is.
De seider en het Exodus-verhaal helpen ons steeds weer de vrijheid te kiezen. Dwars door onze angsten heen, in weerwil van alle schrikbeelden die onze fantasie over het onbekende kan oproepen. De seider herinnert ons eraan dat iedereen, steeds weer opnieuw een keuze moet maken, individueel en met het collectief, voor een leven in vrijheid.

sluit
Samen teut
Dronken met Poeriem? Ik ben het nooit geweest. Ik moet er, eerlijk gezegd, ook niet aan denken.
... meer info

Dronkenschap is hoe dan ook naar. Dus het heeft me altijd gefascineerd waarom we verondersteld worden dronken te worden tijdens dit feest. Gaat het alleen om het inzicht van de wijzen van alle culturen dat een gesanctioneerde uitlaatklep een dag per jaar (Poeriem) of een paar dagen per jaar (Carnaval) nodig is voor een soepeler samenleven? Als ze dat al de enige reden zou zijn, zouden de chachamiem (de joodse wijzen) dat nooit zeggen. Zij hebben behoefte aan een meer verfijnde reden. Met een omweg is die te vinden in de midrasj. Wat ik me nooit had gerealiseerd is dat Amalek familie van ons is. De Israëlisch-Britse leraar en filmmaker Michael Kagan, die begin februari een workshop gaf voor BHC, droeg dat aan. Amalek is een afstammeling van Esav, de broer van Ja’akov. Het joodse volk en Amalek waren met elkaar in een cyclus van wraak verwikkeld in Bijbelse tijden. Woedt die strijd nog steeds? Amalekieten zijn er niet meer. Althans, we weten niet meer wie nog afstammelingen van de Amalekieten zijn. Maar als symboolnaam is de naam ‘Amalek’ nog springlevend. In elke generatie heeft het joodse volk zijn vijand als Amalek gezien en hem zo benoemd. Wat zo interessant is, is dat de traditie voorschrijft dat men zó dronken moet zijn dat men het verschil tussen Mordechai (afstammeling van Ja’akov) en Haman (afstammeling van Amalek) niet meer weet. Met andere woorden, op psychologisch en emotioneel vlak word je door de traditie gedwongen om de tegenstelling tussen ‘goed’ en ‘kwaad’ niet meer te projecteren op de buitenwereld (‘wij zijn goed’ en ‘zij zijn slecht’), maar daarmee op te houden. Goeden én kwaden maken deel uit van onze gemeenschap en onder onze tegenstrevers zijn kwaden én goeden. Normaliter lijkt Poeriem heel weinig met onze werkelijkheid van doen te hebben. Normaliter is het gewoon een leuk feest met, voor wie nauwkeurig leest, een wel heel grimmige afloop: een massaslachting onder onze vijanden. Normaliter is het even tanden op elkaar bij dat stuk en daarna je tegoed doen aan Hamansoren en Hamanstaschen. Maar in onze gepolariseerde wereld, waarin iedereen zo precies weet wie Mordechai en wie Haman is, krijgt Poeriem een extra dimensie. Als al die gezworen vijanden in de wereld een dagje samen dronken zouden kunnen worden (zonder alcohol moet dat ook mogelijk zijn), dan zou er iets van de broodnodige ontspanning komen. En plezier is altijd goed. Chag sameach.

sluit
Wat vind JIJ?
Mijn vrees dat de nieuwe aron hakodesj er teveel als een kast uit zou zien en zou misstaan in ‘de Uil’ is niet bewaarheid geworden. Ja, als alle deuren dicht zijn, staat er een egaal witte kast in de nis onder het grote raam van de Uilenburgersjoel. Maar die ziet er, tot mijn verbazing, niet erg ‘kasterig’ uit. Het is geen keukenblok geworden, om het anders te zeggen. En als de twee grote deuren met de groene, zachte bekleding opengaan en de bewerkte houten deuren voor de eigenlijke aron zichtbaar worden, vindt er een totale transformatie plaats.
... meer info

Dan krijgt de Uil, dankzij die groene kleur (die zo wonderwel match t met de groene kleur van de balkons en het andere houtwerk) en het lichte hout met zijn tekening, iets huiselijks. Wie de foto’s ziet van hoe het synagoge interieur er vroeger uitzag, begrijpt meteen hoezeer de tijden zijn veranderd. Toen: massief en glorieus. Nu: open en bescheiden. Toen moest de sjoelganger het gevoel krijgen tegenover iets groots te zijn, Iets veel Groter dan hijzelf. Nu wordt de gelijkheid van sjoelgangers veel meer benadrukt, evenals de toegankelijkheid in de relatie tussen mens en Eeuwige. Niet dat dat bewust zo is bedacht door het bestuur dat opdracht gaf voor de aron en de ontwerpers/bouwers van de aron; de aron moest passen in de ruimte, wat dat dan ook betekende.

Maar nu hij er is en een vergelijking met het vernielde sjoelinterier mogelijk is, is dat de impressie die de nieuwe en de oude aron oproepen bij mij. Een sjoeldienst is niet meer iets dat tot een heel andere wereld behoort, zoals vroeger. De Uilenburgersjoel is een multi-functionele ruimte geworden; hij wordt niet meer – zoals vroeger – alleen voor de dienst gebruikt. Net zoals in ons leven de sjoeldienst meer één van onze vele activiteiten is geworden en niet datgene dat totaal anders is. Of dat goed is of niet, daar heb ik geen mening over. Het is zoals het is.

Wat ik wel weet, is dat de nieuwe aron het gemakkelijker zal maken de dienst dat ietsje meer te geven waar iedereen naar snakt, doordat de Tora rollen daadwerkelijk altijd aanwezig zijn – op hun plaats. Zichtbaar (in de geopende ark) en onzichtbaar (in de gesloten ark), maar hoe dan ook aanwezig. Het stemt mij tot grote dankbaarheid dat dit project gelukt is. Soms ben ik ontzettend benieuwd naar wat de Eeuwige ervan vindt. Dit is zoiets waarover ik zou willen vragen: ‘Wat vind JIJ er van? Hoe is het om terug te zijn op Jouw plek, dat wil zeggen, nog een beetje meer terug dan JIJ al was? Vind JIJ het ook mooi?’

sluit
Breuklijnen
Zeshonderdvijftig kilometer gaat het goed. Het antieke kastje (dat alleen een smak geld waard was tijdens de verdeling van de erfenis, maar nu geen rooie cent meer) is succesvol naar Berlijn verhuisd. In mijn eigen auto. Maar ergens onderweg bij het eruit tillen uit de auto gaat het toch nog mis.
... meer info

De vrouw die ik aanspreek op straat, omdat ik hulp nodig heb (asielzoekster? ze spreekt geen woord Duits of Engels?) en ik hebben niet zo veel geluk als mijn buurjongen en ik bij het erin tillen. Het kastje valt uit elkaar.
De timmerman (die dezelfde dag komt voor iets heel anders) en ik krijgen het met moeite weer in elkaar. Maar het glas in het deurtje is toch gebroken. Nog een meevaller: het glas is niet aan stukken. Je kunt langs de breuk kijken en daar op den duur wel aan gewend raken, net als met het gebroken glasscherm van mijn I-pad. Het gebroken raam dat nog wel functioneert in het leuke, maar waardeloze antieke kastje, maar toch een beschadiging heeft opgelopen bij de verplaatsing naar een ander land, is een prachtig beeld voor wat er met het Jodendom is gebeurd en gebeurt. We nemen het mee op onze tochten. We zijn er vanwege de oudheid en vertrouwdheid mee verknocht, al staat het soms wel in de weg. Soms zou je het willen inruilen, maar dat doe je niet. Zeker niet als je het verhaal erachter kent. Het kan hoogstens in een andere kleur worden geverfd. Waar het voor wordt gebruikt, kan in de loop der tijd verschillen. Wat we er aan pronkstukken in zetten - de mooie vazen van de kabbala, de kristallen bokalen van Haskala, de joodse Verlichting, de romantische snuisterijen van legenden uit de Midrasj, vele opgediept in de negentiende eeuw, de design kopjes en schoteltjes van de Reform, de Oosterse kommen die de Jubhus mee naar huis hebben genomen om er joods-spiritueel voedsel in op te dienen - verschilt per periode en persoonlijke geaardheid. Een breuk of breukje met wat er was, is onvermijdelijk. Maar ach, zo lang de ouderdom en de liefde waarmee het kastje is gemaakt nog zichtbaar is, nemen we het gewoon mee op onze reis door de tijd en het leven. En we nemen het mee in het nieuwe seculiere jaar. Moge dat een goed jaar worden voor onze kehilla, voor ieder die daarbij hoort en voor hun beminden.

sluit
Elke dag een beetje: geluk(t)
Gijs van Lennep wordt geïnterviewd. Gijs wie? Van Lennep is uitgeroepen tot de beste Nederlandse autocoureur van de 20ste eeuw. Omdat ik ook Max Verstappen volg (en mijn hart vasthoud bij wat die wel zeer vaardige, branieschoppende coureur allemaal vermag), blijf ik luisteren. Een spectaculaire race komt aan de orde. Er was een ernstig ongeluk maar, zegt Van Lennep, „je moet ook geluk hebben”. Dat heeft hij kennelijk gehad.
... meer info

Een anekdote komt terug in mijn herinnering. Een hoofdredacteur van een gerenommeerde krant nam afscheid en een voormalig medewerker vertelde (voor de afscheidsreportage) hoe zij ooit samen in een sollicitatiecommissie hadden gezeten. Er lag een stapel sollicitatiebrieven op het bureau. Die doorwerken zou een hele klus worden. De oude man verdeelde de stapel in tweeën en gooide een helft in de prullenbak, onder het uitspreken van de gedenkwaardige woorden: „Mensen die geen geluk hebben, kunnen we hier niet gebruiken.”
Geluk hebben. Inderdaad, dat moet je hebben. Daarzonder begin je weinig. Je moet hard werken voor geluk. Je kunt er van alles aan doen om geluk af te dwingen. Maar het universum moet je het geluk ook gunnen. Dat hele inzicht ligt besloten in het ‘Mazzal tov’. Feitelijk betekent het ‘een goed gesternte’. We wensen iemand dat de sterren goed staan. We willen graag dat het geploeter en geploeg wordt aangevuld met een snuifje ‘goede sterren’. Met Jom Kippoer zijn we ons zeer van het lot bewust, dat wil zeggen van het precaire van het bestaan waarop we wel én geen greep hebben. Met Soekot wordt het bewustzijn over de wankelheid van het bestaan opnieuw onder de aandacht gebracht. Maar met Chanoeka zijn we die wankelheid al lang weer vergeten. We gaan met de Maccabeeën de vijanden te lijf en jagen ze weg. Als we moeten vechten, zullen we vechten, maar onze soevereiniteit willen we terug. Ook al zal die misschien niet lang duren. Wat ooit met wapens werd bewerkstelligd, twee millennia terug, wordt nu half en half met vreedzame middelen gedaan: het licht verjaagt de duisternis. Wat is er nodig om de donkere krachten in het heelal eronder te krijgen? Zelfs met het kleinste vlammetje wordt een kwalitatief ingrijpende verandering teweeg gebracht. Er is maar zo weinig nodig om gelukkig te zijn.
Een van de trucs is: kleine stappen. Per slot van rekening is het woord ‘gelukkig’ gerelateerd aan het woord ‘gelukt’. Kleine acties die lukken, maken gelukkig. Is het gelukt je beperkte doelstellingen te halen: een mens kan er gelukkig van worden. Iedere dag de chanoekia aansteken. Het duurt een paar minuten. Maar het maakt alle verschil. Het is zoals met alle mitswot: doe jezelf niet tekort door de mogelijkheid om een mitswa te doen, te laten liggen. Gun jezelf de positieve kracht van de mitswa. Doe elke dag een beetje. Elke mitswa is een kleine lichtbron in de duisternis. Er is maar zo weinig nodig om in sync te zijn met de wijsheid van het universum. Ik wens jullie prachtige feestdagen.

sluit
De Ander
Het kamp in Calais is ontruimd en afgebroken. De gestrande vluchtelingen/emigranten/gelukzoekers die naar Engeland wilden, zijn verdeeld over Franse opvangplekken. Toen ik de beelden van de ontmanteling van het kamp zag, had ik journalistenspijt. Waarom ben ik niet zelf gaan kijken hoe het was?
... meer info

Ik ben wel gaan kijken naar een aankomstplek van immigranten in Berlijn. Dus waarom niet met eigen ogen ‘Calais’ zien, zo ver is het niet?! Thuis, wel in ballingschap maar niet ontheemd zoals de actuele ontheemden, pak ik Leaving the Jewish Fold, Conversion and Radical Assimilation in Modern jewish History. De schrijver, de Amerikaanse emeritus hoogleraar geschiedenis en joodse studies Todd M. Endelman, publiceerde het vorig jaar. Wat schoenen zijn voor Imelda Marcos (ze leeft nog), zijn boeken voor mij: hoe meer hoe beter. Dus nu de Amsterdamse boekhandel Schreurs en de Groot aan het einde van dit jaar gaat sluiten, koop ik nog snel zoveel mogelijk de joodse boeken daar die van mijn gading zijn (Ga ook! Koop daar ook!). Zo ben ik aan Leaving the Jewish Fold gekomen.
De zestien bladzijden van de Introductie zijn alleen al de moeite van de aanschaf waard. Endelman schetst zijn doel: de beschrijving van de historische omstandigheden in de laatste twee eeuwen waar Joden zich sinds de Verlichting en Emancipatie toe moesten verhouden, en die een heel spectrum aan strategieën hebben voortgebracht. Aan de ene kant van het spectrum het vasthouden aan de religieuze levenswijze zoals hij al eeuwen bestond, zonder enige nieuwe aanpassing, aan de andere kant van het spectrum radicale assimilatie: de wens om het Jood-zijn af te schudden en volledig op te gaan in de niet-joodse omgeving. Met alle variaties er tussenin.
Ik ken radicale assimilatie uit mijn eigen familie: een tante en oom van mijn vader emigreerden na de Tweede Wereldoorlog naar de Verenigde Staten met hun volwassen kinderen; ze werden christelijk, veranderden hun namen en verzwegen hun Joodse identiteit voor iedereen. Ze bleven zelfs zwijgen toen hun kleinzoon een joods meisje wilde trouwen en geen andere mogelijkheid had dan uit te komen. Ik weet niet of ze hem ooit hebben verteld dat hij joods was (wij hadden nauwelijks contact met deze tak van de familie).
Onlangs stuitte ik op een ander geval van radicale assimilatie, in Amsterdam. Ik stelde mij voor en vertelde na de vraag wat ik deed, dat ik rabbijn ben. “Ik ben ook joods,” zei de man, een vijftiger. “Heeft u een joodse vader?” “Nee, allebei mijn ouders zijn joods. Maar mijn grootouders wilden er na de oorlog niets meer aan doen.” Het Jodendom had te veel ellende gebracht. Het werd de rug toegekeerd. Mijn hart brak. Ik vervloekte de nazi’s, de echte daders van deze naoorlogse vernietiging van ons volk en onze beschaving.
Wat Endelman in zijn inleiding duidelijk maakt is dat wat Joden ook deden om zich aan te passen, ze bleven toch de door het christendom eeuwenlang gedemoniseerde Ander. En ook al werd de binding aan het Christendom, de diep ingesleten vooroordelen en demonisering bleef bestaan. Honderdduizenden Joden in de negentiende en begin twintigste eeuw wilden een toekomst zonder discriminatie en uitsluiting. Zij werden christelijk, soms uit overtuiging, meestal uit praktische overwegingen.
Ik kijk naar de foto’s van Calais en naar de documentaires en de nieuwsitems over de gestrande Engelandvaarders. En denk: Joden kunnen radicaal assimileren en zich van hun Joodse identiteit ontdoen; velen hebben dat ook gedaan. Maar wie zwart is, kan niet wit worden om te ontkomen aan racisme. Hij of zij moet er een antwoord op vinden, zoals wie ervoor kiest Joods te blijven, een antwoord moet vinden op antisemitisme. Wat mij betreft is er maar één antwoord mogelijk: het Jodendom zo intens mogelijk leren kennen en omarmen, met al zijn facetten. Het is vaak niet gemakkelijk om Jood te zijn en je gehaat en bedreigd te weten, dicht bij huis en in de wijde wereld. Maar wie eenmaal weet van de vreugde, de wijsheid, het inzicht, de muziek, de rituelen, de schoonheid, de gemeenschap, de poëzie van het Jodendom verliest ieder verlangen naar radicale assimilatie. Die blijft Joods en geniet. In weerwil van alles.

sluit
Schoongesopt plat van ontzag
‘Noraja’ heb ik jarenlang gekoesterd als naam voor een eventueel eigen kind. De naam bestaat niet. Maar wat geeft dat? Mijn tweede voornaam, Maionah, bestond ook niet. Hij is door vader gemunt om mij te kunnen vernoemen naar zijn moeder, Sara Duifje. Noraja, ‘Ontzagwekkende God’ of ‘De Eeuwige is ontzagwekkend’. Rosj Hasjana en Jom Kippoer, de Hoge Feestdagen, worden ook Jamiem Noraïem, de Ontzagwekkende Dagen genoemd.
... meer info

De Eeuwige, Het Eeuwige, Het Zijnde, ‘Zijn’ boezemt ontzag in. En er zijn in het joodse jaar een paar dagen zó vormgegeven dat je op de knieën gedwongen wordt ‘plat te gaan’ (letterlijk tijdens het Grote Alenoe, waarbij je als sjoelganger plat gaat, zoals Mosje en Aharon plat gingen voor de Eeuwige). Als je plat gaat uit eerbied, uit ontzag, ben je weerloos. Totaal weerloos. En misschien ben je dan wel het dichtst bij het bewustzijn van een waarde en waardigheid die je hebt louter omdat je bestaat. „Alles van waarde is weerloos,” dichtte Lucebert.

Met Rosj Hasjana en Jom Kippoer denken we, geloven we, veronderstellen we, gaan we ervan uit, houden we er rekening mee, doen we alsof, spelen we het bloedserieuze spel mee, verklaren we, bevestigen we, dat de Eeuwige Almachtig is, een Absolute Heerser over het bestaan. Over ons bestaan. De Jamiem Noraïem moeten in ons de ervaring wekken van ontzag tegenover dit absolute, alomvattende Gezag. Autoriteit heb je soms vanwege je functie. Of je hebt autoriteit verworven door kennis en vaardigheid. Maar gezag is autoriteit met een ‘ietsje meer’. Iemand heeft gezag omdat hij of zij niet alleen een autoriteit is (in de zin van zeer bekwaam en deskundig), maar ook beschikt over een natuurlijke vorm van invloed. Mensen met gezag hoeven hun punt niet te maken, er wordt vanzelfsprekend naar hen geluisterd.

Ontzag hebben voor de Eeuwige, voor het Eeuwige, betekent dat je je ‘weerloos’ hebt gemaakt, in de goede zin. Je hebt uit eigen beweging de neiging opgeven om je te verzetten, of tegen schenen te schoppen, of iets in te brengen, of tegen te sputteren, of tegen te spreken, of iets niet te doen, of te negeren. Je erkent dat je tegenover iets, iemand, Iets, Iemand staat die ieder verzet of gesputter ‘vorweg nimmt’, zoals men in het Duits zegt: van begin af aan ontkracht. Maar niet een ontkrachten waarbij vernedering of overgave in het spel is. Maar eerder: dit is groter dan ik. Dit/Die heeft meer wijsheid, inzicht dan ik.

Ontzag hebben kun je alleen als je jezelf niet in de weg zit: met ideologie, met vaste beelden, met vaste rituelen, met verwachtingen, met een sleep aan teleurstellingen en verwondingen, met illusies, met grootheidswaan, met een teveel aan hoop, met verbetenheid, met gemankeerde liefde. Om ontzag te kunnen ervaren moet je dat allemaal achter je laten. Rosj Hasjana en Jom Kippoer stellen ons daartoe in staat. Dat is althans de bedoeling: schoongeveegd en schoongesopt tegenover het Ultieme Schone te kunnen staan. Moge de Absolute Heerser van het bestaan u, jou, jullie daartoe De Hand reiken.

Sjana Towa! 

sluit
Als een lam
Dit is de periode waarin we nadenken over tesjoewa. Zouden er veel mensen zijn in progressieve kring die overwegen om de mitswot strikt te gaan naleven?
... meer info

Immers dat is de traditionele betekenis van tesjoewa. Zelfonderzoek gaat daaraan vooraf, maar daar blijft het niet bij. Mijn inschatting is dat er weinigen onder ons zijn die denken: het komende jaar ga ik echt Sjabbes houden, met alles erop en eraan; het komende jaar ga ik helemaal kosjer eten, met alle restricties van dien; het komende jaar zal ik op elk tijdstip davvenen dat is voorgeschreven; het komende jaar zal ik alle voorgeschreven berachot zeggen. Meestal ligt de focus in progressieve kring op het herstellen van relaties, het vragen en geven van vergiffenis, het proberen met jezelf in het reine te komen. Wat natuurlijk ook een prima invulling van tesjoewa is.

Dit jaar gaan mijn gedachten over tesjoewa in een heel andere richting. Stel dat je zou kunnen terugkeren (de basisbetekenis van het woord) naar het jonge kind dat je ooit bent geweest. Het kind dat nog niet had geleerd dat anderen gemeen kunnen zijn, of onverschillig, boosaardig of gek. Het kind dat nog niet de jaloezie van anderen leerde kennen of de wegdrukkende ambitie. Het kind dat nog niet de competitie aan hoefde te gaan om aandacht of erkenning, dat nog niet hoefde te vechten om gezien of gehoord te worden. Het kind dat nog vertrouwen had in de wereld. Ooit zijn we allemaal zo’n kind geweest. Voor de één kwam aan die manier van zijn sneller een einde dan voor de ander. Voor ons allemaal is er een tijd geweest dat we nog niet in onze angsten of teleurstellingen vast kwamen te zitten, dat er nog geen wrok (meer of minder) of bitterheid (meer of minder) te slapen lag in een ver hoekje van ons hart - diep weggestopt, ook voor ons eigen bewustzijn.

Stel dat je in deze periode een klein beetje van dat kleine kind zou kunnen doen ‘terugkomen’, dat je werkelijk de tesjoewa, de weg terug naar dat verloren ik zou vinden? Dat zou een echte verandering zijn en een verdere diepgaande verandering teweeg brengen.

Pas volgende maand is het Rosj Hasjana, pas dan is er de ‘deadline’, bijna letterlijk, een ‘lijn’ van schapen over wie HaKadosj Baroech Hoe als een herder bepaalt: jij bent vet genoeg voor de slachtbank, en jij mag je nog een jaartje volvreten om wat aan gewicht te winnen. Stel dat we als het lammetje dat we ooit waren voor de Eeuwige zouden verschijnen, omdat we echt de weg terug naar ons ‘naieve zelf’ zouden hebben weten te vinden. Wat zou de Almachtige dan besluiten in Zijn/Haar barmhartigheid?

sluit
Wereld
"Europa is een continent in verval,” zei een vriendin bij de ingewikkelde koffie die ze had besteld (als ik een barrista zou zijn, zou ze het me drie keer moeten uitleggen). "Het valt nog niet zo op, maar het is wel zo.” Brexit was slechts een van de punten die haar tot haar analyse brachten. De Verenigde Staten is ook in verval, dacht ik later. Daar begon het verval trouwens eerder, maar iets onzichtbaarder voor ons, wonend in dit deel van de Westerse wereld.
... meer info

Een maand geleden las ik Svetlana Alexijewitsj’s Het einde van de Rode Mens. Leven op de puinhopen van de Sovjet-Unie. Ook dat was een harde confrontatie. Deze Wit-Russische journaliste heeft volledig terecht vorig jaar de Nobelprijs voor de Literatuur gekregen. Het beschrijft de misère, de hoop, de verbijstering, enzovoort van mensen uit heel bepaald gebied. Ieder van hen getraumatiseerd. Door de manier waarop de schrijfster al die mensen en hun ervaringen in dat boek heeft neergezet, werd het universeel. Door haar realiseerde ik met dat alle mensen op alle continenten diepgaand verwond zijn én hun ouders én de rest van hun familie én generatie na generatie terug. Door een eindeloze reeks oorzaken. De wereld en de mens is werkelijk gebroken.

Als je wereld en mens zou willen helen, dan moet ieder mens (!) daarvoor de aandacht en de tijd en de hulp krijgen die hij of zij nodig heeft. En ieder mens moet bij de hand genomen worden om de moed op te brengen en het doorzettingsvermogen te ontwikkelen die nodig zijn om zichzelf te helen. Ja, er zijn groepen die nog meer in de hoek zitten waar de klappen vallen dan andere. En ja, er zijn groepen die het soms even iets minder te verduren krijgen dan andere. Maar als je heel nauwkeurig gaat bekijken welke dat zijn, dan kom je er al niet meer uit. Dan blijkt het lijden overal te zijn. Bij iedereen. Bij elk individu. Ik kan tegen dat inzicht alleen maar staande blijven door de schoonheid in de wereld, door alle messiaanse oplossingen die dag na dag voor problemen worden gevonden én door de riten en symbolen, de mensen en dat wat zij samen doen, het lernen en de muziek die de joodse beschaving biedt. Ik kan nauwelijks verwoorden hoe trots ik ben dat de Eeuwige ons gereedschap heeft gegeven om het slechte leven het hoofd te bieden en het goede leven vorm te geven.

Er is onwaarschijnlijk veel treurigheid in de wereld. En ja, soms lijkt het erop dat onze samenlevingen all over the world in elkaar aan het storten zijn. Juist ook omdat de media al het slechte dagelijks over ons uitstorten. Maar de andere kant is dat er wel degelijk vooruitgang is in the global village. Als ik hoor over geluidsschermen langs snelwegen die misschien uitgerust kunnen worden met zonnepanelen en van materiaal gemaakt worden dat fijnstof opzuigt, denk ik: ‘Zie je wel, er wordt aan gewerkt, aan herstel, aan duurzaamheid, en aan al die andere problemen. Het is langzaam, maar hoopgevend.’

sluit
wachten
Ik heb een bloedhekel aan wachten.
... meer info

Daarom zal ik nooit een Engels televisiefilmpje vergeten. Het was eigenlijk een mini-documentaire. Onderzocht was of er verband is tussen de manier waarop artsen naar zichzelf waarderen en hoe ze hun patiënten waarderen en de duur dat patiënten moeten wachten. Dus na het eigenlijke tijdstip van hun afspraak. Het was opmerkelijk en ook een tikkeltje hilarisch. Vond de arts zichzelf net zo belangrijk als zijn patiënt dan hoefde de patiënt niet te wachten. Maar vond de arts zich tweemaal zo belangrijk als de patiënt dan werd de wachttijd vier keer zo lang. De wachttijd liep uit tot zestien keer zo lang, als de arts zich vier keer zo belangrijk vond als zijn patiënt. Zo zit het tenminste in mijn hoofd. Wat ik vergeten ben is de maat van de wachttijd (vier keer zo lang als wat?).

Ik moet vaak aan dat Engelse onderzoek en die mini-docu denken. En ik moest er nu in de aanloop tot Sjawoe’ot aan denken. Het joodse volk (de nakomelingen van Ja’akov en degenen die met hen meegetrokken zijn uit Mitsrajiem) krijgen van Mosjé de opdracht om zich voor te bereiden op een bezoek van God (zo kunnen we de Openbaring op Sinaï toch ook zien). Die voorbereiding duurt een aantal dagen. Hoe zou het zijn om daar in de woestijn te wachten op…. ja, op wie? Op wat? Er mag van alles niet – seks bijvoorbeeld – en met die voorbereiding (wassen van kleren) ben je ook tamelijk gauw klaar. Wat doe je dan, tijdens dat wachten? Of liever, wat deden ze tijdens het wachten? Sliepen ze, of durfden ze geen oog dicht te doen, bang om iets te missen? Vertelden ze elkaar verhalen? Flauwe grappen? Witzen (bestonden die toen al?)? Vertelden ze elkaar wat ze hadden meegemaakt in Mitsrajiem? Of wat ze onderweg – van de Rietzee naar de Sinaï – aan dieren, planten, schelpen, stenen en andere spannende dingen hadden gezien? Gingen ze een wandelingetje maken? Wezen ze elkaar op de sterren en probeerden ze knobelisjworst te maken van de sterrenbeelden? Schreven ze gedichten in het zand? Zongen ze? En wat zongen ze dan, Egyptische schlagers of hadden ze al ‘joodse’ liedjes?

Er staat niks over in Tanach. Niks. Over de waanzinnige verschijnselen van de Openbaring staat er van alles in, maar over die dagen van wachten daaraan voorafgaand: niets. Precies zoals het in ons leven gaat. Ons levensverhaal is een aaneenschakeling van bijzondere gebeurtenissen, maar hoeveel keer je in je leven kattenvoer hebt gekocht, of zelfs dat je kattenvoer hebt gekocht; hoeveel keer je in je leven je schoenen hebt uitgetrokken, of zelfs dat je je schoenen hebt uitgetrokken, hoeveel keer je in je leven in een spiegel hebt gekeken, of zelfs dat je dat oneindig vaak hebt gedaan – niets. Als je een levensverhaal vertelt (aan jezelf of aan anderen) moet er wel iets te vertellen zijn; de aanschaf van tandpasta, het knippen van je nagels, het zoeken van je sleutels, het aandoen van een lamp vind je zelden in een levensverhaal. Juist omdat je die dingen ontelbaar vaak doet. Het bijzondere komt in boeken. De Openbaring, het toppunt van bijzonderheid staat in Tanach. Maar ik zou een tijdreis terug willen maken en zien wat die Israëlieten deden in de tijd dat zij wachtten op God.

sluit
Nestwarmte
We zitten nu midden in de woestijn. Bijbels-historisch gezien. Deze hele maand zijn we op weg van de Jam Soef, de Rietzee, naar Har Sinaï, de berg Sinaï. We zitten als het ware op een rijdend nest, we worden uitgebroed. Hoe dat zo?
... meer info

De Zuid-Afrikaanse rabbijn Yossi Goldberg heeft een ongebruikelijke verklaring voor het ei op de sederschotel. Pesach is weliswaar achter de rug, maar de rabbijnen verbinden het feest van de Exodus en het feest van de matzes graag met Sjawoe’ot, het Wekenfeest, wanneer wij de mitswot krijgen. Goldberg ziet in het ei het joodse volk, dat in (de buik van) Egypte tot een volk wordt gevormd en dat bij Sinaï uit het ei kruipt en zijn leven als individueel dier begint. Mijn verbeelding wordt erg aangesproken door dit beeld.

De Hebreeuwse naam voor Egypte is Mitsraïem, ‘Benauwdheid’, ‘nauwe plek’. Mitsraïem is een plek waar je geen kant uit kunt. Nu wordt de baarmoeder door de foetus niet als een Mitsraïem gezien, maar op een gegeven moment wil het er wel uit, net als het ei uit de kip. Om gelegd te worden, moet het ei door een nauwe doorgang, zoals de Bné Jisrael door de Rietzee moesten gaan (waarbij ongetwijfeld bij menigeen op menig moment de adem gestokt zal hebben). Zodra het ei door de kip is gelegd, gaat de kippenmoeder op de eieren zitten om ze uit te broeden in het nest. Na de doorgang door de zee, komen de Bné Jisrael, wij dus, in de woestijn terecht.

Op zijn eigen manier een plek waar je, net als in een nest, niet veel mogelijkheden hebt. Maar warm is het er wel. En het beeld (in sommige van onze gebeden) dat wij bescherming vinden onder ‘de vleugels van de Altijdaanwezige’ past wonderwel. Zoals gezegd, bij Sinaï kruipt het joodse volk (de Bné Jisrael tezamen met de mensen met een andere etnische achtergrond die mee zijn getrokken uit Egypte) definitief uit het ei. Dat gaat met veel gekraak en natuurgeweld gepaard. Het kuiken komt in een hele nieuwe wereld, en wij ook (de wereld is immers definitief anders de Eeuwige heeft laten zien/horen/ervaren). Dat ei op de sederschotel staat dus voor het proces van transformatie dat leidt tot een eigenstandig bestaan, waarin je als vrije vogel alle richtingen kunt uitvliegen die je wilt. Maar joodse vogels zijn geen eenlingen, ze zijn meer als spreeuwen, die met duizenden tegelijk prachtige patronen in de lucht maken.

Hoe ze dat doen is een raadsel dat opgelost wordt door de wetenschappers die hen bestuderen. De joodse ‘zwerm’ krijgt bij Sinaï instructies hoe ze samen een leven kunnen opbouwen waarbij iedereen tot zijn recht komt, de natuurlijke leefomgeving gedijt en de verbinding met ‘de andere wereld’ (hoe je die ook wilt invullen: de olam haba, de messiaanse tijd, het goddelijke domein) kunt maken. Mosjé is daarbij ons voorbeeld: uiterst bescheiden, twijfelend aan zichzelf, maar wel met lef en ook niet te beroerd om leiding te geven aan een bonte verzameling eigengereide vogels. Maar vooralsnog is het nog geen Sjawoe’ot en kunnen we genieten van de nestwarmte in de wildernis onder Moeder’s ‘vleugels’.

sluit
Geen bevrijding door moord
Als je erover nadenkt is het ongelooflijk dat onze chachamiem, de joodse wijzen, nog een extra mogelijkheid hebben gevonden om het feest van Pesach te spiritualiseren en te psychologiseren. Op zich is de Uittocht uit Egypte nogal concreet: weg uit economische, politieke en sociale onderdrukking. Het gaat over een diepgaande verandering in het aardse bestaan. Voor miljoenen die nu onder slavernij zuchten - hetzij omdat zij daadwerkelijk slaven zijn (gekidnapt door slavenhandelaren of verkocht door hun familie) of omdat zij totaal afhankelijk zijn van hun wrede, uitbuitende bazen – zou een bevrijding daarvan al meer dan genoeg zijn. Als er een project is waar het joodse volk zich mee bezig zou moeten houden, is het misschien wel met dit actuele probleem.
... meer info

Voor Joden is slavernij geen concreet en actueel probleem. En zijn beslist joodse armen. Maar slaven? Het soort slavernij zoals het in Egypte bestond en nog steeds op deze wereld bestaat is gelukkig niet iets dat in de joodse wereld speelt. Vrijheid, dat staat wel op ieders lijstje. Daarvan kunnen we allemaal meer hebben. Vrij zijn van de haat voor ons volk. Vrij zijn van de onoplosbaar lijkende politieke problemen waarmee ons volk kampt. Vrij zijn… er valt nog zo veel te benoemen waar we als collectief mee worstelen.

Desondanks bespreken we tijdens de seider vaak vooral onze persoonlijke bevrijding. Wat zijn bevrijdingsmomenten in het afgelopen jaar geweest? Aan welke verkeerde krachten willen we ons in het komende jaar ontworstelen? In de keuze voor de focus op het persoonlijke, zijn de chachamiem ons voorgegaan. Het voorschrift om alle chameets uit ons huis te verwijderen, zien zij als een oproep om ons te ontdoen van onze arrogantie, onze opgeblazenheid, ons ‘dikke ik’, om met premier Rutte te spreken.
Het kan geen kwaad om onszelf grondig onder de loep te nemen. Zijn we, ieder van ons, arrogant? Zijn we, ieder van ons, van onszelf en ons eigen gelijk vervuld? Zijn we, ieder van ons, vooral erop uit onze eigen belangen veilig te stellen? Het is goed om daarnaar te kijken.

Maar dit jaar is het misschien ook aan de orde om een en ander te verbinden. In veel commentaren op de terreur die de wereld teistert, wordt gesteld dat Europa verantwoordelijk is voor de aanslagen die het over zich heen krijgt. Het Westen wordt gehaat vanwege de arrogantie waarin het in de rest van de wereld opereert en de aanslagen worden door die haat ingegeven. Zelfs als er een kern van waarheid in zit, is het een verwerpelijke manier van redeneren. Want niets, maar dan ook echt niets, legitimeert het doden van onschuldigen. Het wordt vaak over het hoofd gezien, maar de Bné Jisraël, de nakomelingen van Ja’akov, namen als slaven het recht niet in eigen hand. Ze kwamen niet in opstand. Ze namen niet de wapens op, ook niet de primitieve wapens als messen en stokken. Ze doodden niemand in hun intense verlangen naar vrijheid. De enige die tot geweld over ging was Mosjé, die de wrede opzichter doodde. Maar het gedrag van Mosjé werd niet nagevolgd. Integendeel, het volk stelde zichzelf, bij Sinaï, onder een strenge wetgeving, waarvan het gebod ‘Niet moorden!’ een van de belangrijkste geboden werd.

We worden opgeroepen door de profeten om een ‘licht voor de volkeren’ te zijn. Een van de manieren waarop we dat kunnen zijn is te benadrukken dat hoe groot de onderdrukking ook is, hoe groot de bitterheid ook is, moord als wapen daartegen is totaal onacceptabel. De verlossing moet op andere wijze komen: door te vertrouwen op de goede helpers en door het verwijderen van ‘chameets’ uit ons persoonlijke en collectieve bestaan.

Ik wens jullie een mooie seider en Pesachtijd toe.

sluit
Kiezen voor de onschuldigen
Het prachtige boek van Vasily Grossman over de slag bij Stalingrad vanuit Russisch en joods perspectief, heeft in Nederland de titel Leven en Lot. Alsof het om twee verschillende grootheden gaat ‘leven’ en ‘lot’. In veel culturen zijn ‘leven’ en ‘lot’ diepgaand met elkaar verweven. De levensloop van een ieder wordt geacht vooral bepaald te worden door het lot, of in religieuze termen door de Goddelijke Voorzienigheid.
... meer info

Er is in sommige tradities nauwelijks ruimte voor de mens om zijn bestemming te bepalen. Alles wordt geacht ‘van bovenaf’ te zijn geregeld en beslist. Wat de mens te doen staat is zich te schikken naar zijn lot. Zo’n houding tegenover wat men in het leven meemaakt – vooral als het gaat om ongeluk in zijn velerlei vormen – kan troost bieden. Hoezeer men ook zijn best doet, de tegenslagen zijn gewoon te groot. En het toeschrijven van alle tegenslagen – ziekte, armoede, verlating, brand, oplichting, inbraak, ontslag, faillissement en zo verder – kan wreed zijn. Want iemand kan nog zo zijn best doen, nog zo verstandig leven, nog zo oplettend zijn, maar toch door ‘het noodlot’ worden ingehaald.

Er is dus wel degelijk iets te zeggen voor fatalisme: de idee dat men in het leven krijgt wat voorbeschikt is. Maar de joodse traditie vecht ertegen. Zelfs al wordt op Jom Kippoer gesteld dat de Eeuwige alles beslist, toch wordt er een opening gegeven om dat ‘lot’ te veranderen: tefila, tesjoewa en tsedaka kunnen invloed uitoefenen op de Goddelijke Wilsbeschikking. De joodse traditie is doortrokken van de idee dat men het leven in eigen hand kan nemen. Up to a point.

Met Poeriem wordt de strijd tussen twee wereldbeelden en twee levenswijzen ten volle uitgewerkt en uitgeleefd. In het Estherverhaal krijgen de Joden in Perzië (grofweg het huidige Iran) te maken met Haman, een zeer hoge ambtenaar die uit is op de vernietiging van de joodse bevolking. Hij, Haman, gelooft diepgaand in de predestinatie. Dat blijkt uit het feit dat hij het lot, de poer, laat gooien, die uitsluitsel moet geven over het voorgeschikte lot van de Perzische Joden, namelijk de dag waarop de Joden zullen worden vermoord. Van dit gooien van het lot, de poer, komt de naam van het feest Poeriem (het meervoud van poer).

De dag waarop het lot wordt gegooid is 1 nissan, de eerste dag van de eerste maand; de dag waarop de Joden zullen worden gedood is 13 adar, de twaalfde maand. Moet je je voorstellen: er wordt een decreet uitgevaardigd dat jij en iedereen van de groep tot wie je behoort, over elf maanden om zeep gebracht zullen worden. Als je fatalistisch bent, verzink je waarschijnlijk in een doffe gemoedstoestand. En natuurlijk was de schrik en ontzetting onder de Perzische Joden groot. Maar onmiddellijk wordt ook de tegenaanval voorbereid, eerst door Mordechai, dan door Esther. Zij laten zich niet door fatalisme leiden, maar vertrouwen op hun hersenen, hun strategisch inzicht, hun vermogen om de machtigen te overreden, hun vertrouwen dat gerechtigheid zal overwinnen. Die elf maanden dat de Perzische Joden zich voorbereiden op ‘hun lot’ en niet zeker weten of zij het lot zullen kunnen afweren, zijn vreselijk. Uiteindelijk boeken ze weliswaar de overwinning op de moordzuchtige Perzen, maar dat gaat niet zonder bloedvergieten. De Joden in Perzië moeten van zich afslaan, met het zwaard. Terwijl een diep gevoeld fatalisme dit afslachten van de potentiële moordenaars zou hebben voorkomen en ‘schone handen’ zou hebben opgeleverd, voert de keuze om het ‘lot’ in eigen hand te nemen tot een bloedige strijd. Toch is dat de keuze die wordt gemaakt. Een keuze die moet worden gemaakt. Want zonder strijdbaar verzet sterven de onschuldigen en sterft de gerechtigheid.

Poeriem is ons vrolijkste feest. Maar deze vrolijkheid is ook bedrieglijk. Met Poeriem gaat het om de keuze de onschuldigen en de gerechtigheid te redden uit de moorddadige handen van de machtigen en hun aanhang.

sluit
Poerimvruchten
Een paar nagekomen gedachten over Toe Bisjwat. Dat is al weer achter de rug, en we hebben het mooi gevierd onder leiding van Marcella, maar als ik ze nu niet opschrijf ben ik ze volgend jaar weer vergeten.
... meer info

Toe Bisjwat is eigenlijk – samen met de Sjabbat – ons enige ‘boeddhistische’ feest. Er vallen geen doden bij. En het gaat ook niet over het verleden. Bij al onze andere feesten vallen wel doden. En ze gaan allemaal over het verleden. Met Poeriem maken we 75.000 man een kopje kleiner. Ja, ja… vijanden, maar toch… Met Pesach sterven de eerstgeborenen. Ja, ja… van onze vijanden, maar toch… Met Sjawoe’ot, het Wekenfeest, staan we gezamenlijk onder de berg Sinaï naar God te luisteren. Wie ook maar een stap op de berg zet (afgezien van Mosjé en een paar tientallen ouderen) is dood. En bovendien: we kunnen er slechts staan omdat het leger van de Farao, mét de Farao, in de Rietzee is verdronken. Het waren onze vijanden, maar toch. Tisja beAv gaat helemaal over doden. De doden die vielen bij de verwoestingen van de Tempel; en daarbij worden alle joodse doden herdacht die ooit in onze geschiedenis vielen door het geweld van onze vijanden. Met Rosj Hasjana wordt Jitschak bijna gekeeld. Het gaat weliswaar niet door, maar de bok die in de struiken vastzit wordt wel degelijk als offer gebracht. En laten we wel wezen, als Awraham niet op het laatste nippertje naar de stem uit de hemel had geluisterd, was Jitschak er geweest. Op Jom Kippoer stellen we ons voor dat we (bijna) dood zijn. Sommigen trekken ook daadwerkelijk hun kittel (doodskleding) aan; op die dag wordt immers beslist over ons leven en dood. Met Soekot, Loofhuttenfeest, gaat het over de wankelheid van het bestaan. Alles kan zo uit elkaar vallen, niets is zeker, alles kan zo ‘sterven’. En met Chanoeka, het laatste feest in het seculiere jaar, zijn we terug bij de oorlog. Bij de herovering van de Tempel vloeide het bloed van de helden en van de vijanden.
Bovendien zit er aan al deze feesten een historisch aspect. En als het er niet aanzat, hebben de rabbijnen een historische gebeurtenis aan het feest gekoppeld. Lees er de midrasjiem maar op na.
Behalve Toe Bisjwat. Het Feest der Bomen is stevig geworteld in het hier en nu. Niks geschiedenis, nauwelijks toekomst. Nu. We vieren dat we nu kunnen genieten van dadels en vijgen, granaatappels en olijven, druiven en krenten, ananas en papaya, hazelnoten en walnoten, amandelen en pistache, bananen en kiwi’s, mandarijnen en appelen, cranberries en kumquats. Al dan niet groeiend in Erets Jisrael, al dan niet nu geoogst. Met Toe Bisjwat vallen er geen slachtoffers, het gaat alleen om de bewustwording, de dankbaarheid, het genieten van wat er nu is.
Dat het seculiere jaar ermee begint, kan ons dit hele seculiere jaar helpen om het ‘boeddhistische’ aspect in alle komende feesten te zoeken. Om bij het eerstvolgende feest te starten: Wat is het ‘hier en nu’ van Poeriem? Dat we altijd meerdere identiteiten kunnen kiezen als we maar niet al te vastgeroest zitten aan de identiteiten die we in het verleden hebben opgebouwd en waaraan we zo loyaal zijn? Ik doe maar een suggestie. Wat zijn de vruchten van Poeriem? Wat brengt Poeriem voort waarvan we kunnen genieten? Het zijn nagekomen gedachten, en de vragen die ze bij mij oproepen.

sluit
Goede voornemens
Non-dualisme als doel en techniek staat in verschillende spirituele tradities hoog op de agenda. Gepoogd wordt de scheiding tussen het goddelijke en het individu op te heffen. Via meditatie, mindfulness en andere technieken. Het moeilijke aan een staat van non-dualisme is onder andere dat een mens gehecht is aan de rollen die hij speelt: moeder, vader, directeur, kind, dokter, ondergeschikte, patiënt, helper, behoeftige; de mogelijkheden zijn oneindig en ieder kan zich in al die rollen ‘verschansen’ ongeacht de leeftijd.
... meer info

Oude mensen kunnen tot aan hun dood de rol van ‘kind’ blijven spelen, kinderen kunnen al vroeg de rol van ‘ouder’ op zich nemen, op de speelplaats of in het bejaardentehuis is er altijd wel iemand die zich identificeert met een politieagent, terwijl anderen al in de wieg ‘verpleegster’ zijn. Wie een staat van non-dualisme wil bereiken, moet dat soort gehechtheden (die in ieder geval de zekerheid geven dat men weet wat men ‘moet doen’ in allerlei omstandigheden) opgeven. ‘Loslaten’ is het toverwoord (dat zo vaak wordt gebruikt dat het bijna aversie wekt, al is dat inderdaad wat we moeten leren doen: loslaten).

In de joodse mystiek is er beslist een plek voor non-dualisme, al heet het daar anders: het ‘aankleven’aan God, waarbij het ‘ik’ verdwijnt. Maar ‘loslaten’, en uiteindelijk het ‘laten verdwijnen van het ik’,heeft iets problematisch voor Joden als collectief. Voor een individu is het geweldig om te ervaren dat er geen scheiding is tussen het goddelijke en ‘jouzelf’. Maar mensen moeten ook hun brood verdienen, kinderen maken, huizen bouwen en instituties oprichten, ze moeten verzekeringen betalen, en zich abonneren op kranten en telefoonproviders.

Bij het kopen van wasmachines en strijkbouten moeten ze keuzen maken, net als bij het inkopen van voedsel, kleren, schoenen, papier, lampen, en daar heb je een ‘ik’ voor nodig. Een ‘ik’ die weet heeft van normen en waarden. Het is goed om de non-duale toestand na te streven, maar we kunnen niet allemaal Ekhart Tolle zijn (Hij raakte spontaan in die toestand, en leefde in die toestand een paar jaar op straat). De normen en waarden komen van de groep waarin je bent geworteld. En de groep draagt die normen en waarden over met verhalen en verankert het individu met verhalen. Verhalen over het verleden en verhalen over de toekomst. Waar zouden het joodse volk en het joodse individu zijn zonder verhalen?!

Een bruggetje tussen de non-duale staat en het beschermende corset van de groepsverhalen zijn goede voornemens. We maken ze met Rosj Hasjana en Jom Kippoer, maar de meesten van ons maken ze ook met Oud en Nieuw (of hebben dat ooit gedaan). Goede voornemens horen tot de huis-tuin-en-keukentechnieken van degenen die met de voeten stevig op de aarde staan om los te laten teneinde een gelukkiger, meer ontspannen, sociaal bevredigender, cultureel breder, financieel gezonder, misschien zelf ‘normaler’ leven te leiden. Immers, goede voornemens hebben altijd twee kanten: je wilt iets (anders) doen en daartoe moet je ophouden met oud, onsuccesvol gedrag. Wie verstandige goede voornemens maakt en zich daar aan houdt, is eigenlijk bezig met een ontwikkeling van de ziel – ook al hoef je het zo niet te noemen of zelfs maar zo te zien.

Het gaat bij non-dualisme en goede voornemens om de focus, de aandacht, de intentie om een pad te banen dat je weghoudt van de struiken van gekte of teleurstelling, van de greppels van verbittering en innerlijke koude, van de kuilen van onoplettendheid en uitzichtloosheid. Goede voornemens helpen je de steeds weer opnieuw gemaakte fouten van je af te schudden als een hond die uit het water komt. Zo… lekker even schudden en dan monter weer op weg. Naar een goed 2016. Veel succes.

sluit
Een licht voor…
Met Chanoeka in aantocht, is het een goede tijd om na te denken over licht. Immers tijdens het Lichtenfeest steken we wereldwijd, thuis en in de synagoge, de chanoekia aan ter herinnering aan het wonder in de tweede eeuw voor de gebruikelijke jaartelling. Op de een of andere manier heeft het verhaal over het kruikje zuivere olie waarmee de Tempel werd ingewijd me nooit echt kunnen bekoren.
... meer info

Het verhaal is bekend: de Maccabese broeders wisten samen met medestrijders de bezettende grootmacht, de Seleuciden van Antiochus IV, te verslaan. Dat betekende dat de Tweede Tempel werd bevrijd en spiritueel weer kon worden ingewijd. Onderdeel van het Tempelritueel was het branden van de menora. Daarvoor was speciaal geprepareerde, kosjere olie nodig. Die was er slechts voor één dag, bewaard in een kruikje, afgesloten met het zegel van de hogepriester. Maar – wonder boven wonder – het kruikje bleef olie leveren voor de acht dagen die nodig waren voor de bereiding van nieuwe kosjere olie voor de menora.

Ik ben dol op wonderen, echte wonderen. Het universum met alles erop en eraan is één groot wonder, tot in de kleinste details. Het olie-wonder van Chanoeka ligt er, wat mij betreft, te dik bovenop. Oppervlakkig gelezen, een mooi verhaal voor kinderen. Toch?! Bovendien heb ik de Maccabeeën nooit als helden kunnen omarmen. Evenmin trouwens als onze wijzen dat konden. Pas aan het einde van de negentiende eeuw werden ze door joodse nationalisten uit de mottenballen van de geschiedenis gehaald. Zij, de joodse nationalisten, stonden een Spierballenjodendom voor: Joden moesten zich fysiek kunnen verdedigen, net als de Maccabeeën.

Door het voorschrift dat de menora zodanig neergezet moet worden dat de buitenwereld hem ziet (tenzij dat gevaar oplevert), moest ik opeens denken aan Jesjajahoe. Tegen hem zegt de Eeuwige: „Ik, de Ene, heb je met recht-en-reden geroepen en je bij de hand gevat; Ik zal je behoeden, je bestemmen tot een verbond met de gemeenschap, een licht voor de volkeren.” (Jesjajahoe 42:6). En ook „Volkeren zullen op weg gaan naar jouw licht, koningen naar de glans van jouw dageraad.” (Jes. 60:3). De rabbijnen zijn niet moe geworden om ons, het volk Israël, voor te houden dat we een licht voor de naties moeten zijn. Wij moeten het voorbeeld geven: hoe je een leven leidt van gerechtigheid en vrede.

Dat klinkt misschien als arrogant, maar zo is deze interpretatie natuurlijk helemaal niet bedoeld. Eerder als een programma voor onszelf. Wie een licht wil zijn voor de naties, individueel of als collectief, moet zich bewust zijn dat iedere handeling telt, dat iedere intentie goed moet zijn, dat elke intentie en handeling bij elkaar horen. Een licht zijn voor de volkeren op deze wereld is ontzettend moeilijk. Temeer omdat niet alleen de volkeren ons zullen meten naar onze eigen standaard, wijzelf zullen ons moeten meten aan de taak die ons is gesteld.

Maar zwaar, in de sombere zin van het woord, hoeft het niet te zijn. Als je er werkelijk naar streeft om het licht in jezelf te verwezenlijken, zodat je ook licht uitstraalt, betekent dat ook dat je zelf het licht ervaart. Het aansteken van de menora, acht dagen lang, is een herinnering aan die taak en tegelijkertijd het symbool van wat we vaak al zijn: een volk dat daadwerkelijk ‘verlichting’ brengt: als arts, als dichter, als verzorger, als designer, als ouder, als leraar, als computernerd, als kok of op welke manier je ook maar licht in de wereld brengt.

Happy Chanoeka!

sluit
Stress en de Eeuwige
Mevrouw Knorringa ligt op mijn schoot te slapen. Normaliter springt ze heel vaak op schoot, maar nu is het een beetje anders. Ze is nog een beetje suf van de narcose.
... meer info

Ze is net onder het mes geweest: vijf kiezen eruit, en twee tanden, waarvan één hoektand. (De dierenartsrekening had een extra stress-effect; voor het honorarium en de pillen had ik zeven paar schoenen – of meer - in de uitverkoop kunnen kopen, met dien verstande dat ik nog nooit zeven paar schoenen in de uitverkoop heb gekocht. Maar dit terzijde). “Kan ze nu nog wel eten?” “Onze kat heeft helemaal geen gebit meer, maar ze komt nog steeds aan,” zei de dierenartsassistente in een mislukte poging tot geruststelling. “Hoe oud is jullie kat?” “Veertien.” De mijne is ‘pas’ acht.
Afgezien van het schuldgevoel dat Knorringa opeens een waardeloos gebit blijkt te hebben, en dus ook veel pijn moet hebben gehad (‘Hoe kan je dat nu niet in de gaten hebben gehad, Benima?’), kreeg ik door dit voorval opeens medelijden met de Allerhoogste. Soms duid ik de Eeuwige aan als Altijdwachtende, want je kunt tot op het laatste moment tesjoewe doen, terugkeren tot de goddelijke essentie; daar wacht de Eeuwige op. Dat is prettig voor ons, die op zich laten wachten. Maar is het ook prettig voor de Altijdwachtende? Een van mijn beelden van de Eeuwige is dat ‘Hij’ elk moment, iedere fractie van een seconde, weet wat er met een individu aan de hand is: op alle vlakken – zonder dat dit tot een Big Brother-gevoel leidt (althans, niet bij mij). Dus, op ieder moment is de Eeuwige Zich bewust van wat er gebeurt met de meer dan zeven miljard mensen op deze aarde.
Gewoonlijk vind ik dat een verpletterend mooi idee: een bewustzijn dat zó groot is dat het de hele mensheid en meer omvat. Maar nu opeens lijkt het me niet uit te houden. Voor God. Alle uren dat mevrouw Knorringa bij de dierenarts was, waren immers een beproeving. Voor mij meer dan voor haar. ‘Hoe vindt ze het daar.’ ‘Werkt de narcose wel goed?’ ‘Heeft ze pijn?’ ‘Had ze pijn en is ze daar nu van af?’ ‘Is ze straks kwaad op mij omdat ik haar dit alles heb laten ondergaan?’ Enzovoort. Gelukkig is de Eeuwige (althans een van mijn beelden van de Eeuwige) ook Alwetend, dus zulk soort vragen komen in ‘Hem’ niet op (sterker nog: geen enkele vraag), want ‘Hij’ weet het antwoord al. ‘Zijn’ betrokkenheid zal door het weten van de antwoorden wel iets veranderen, maar hoeveel? Zou de Altijdwachtende Zich elk moment net zo ongemakkelijk, bezorgd, schuldig, afwachtend, zenuwachtig, ontregeld, hoopvol en ongerust voelen over wat al die miljarden mensen meemaken als ik door Mevrouw Knorringa’s dierentandartsbezoek? Dat lijkt me afschuwelijk. Dus kies ik het standpunt van Maimonides: Mijn God weet alles, en is overal bij betrokken, maar zonder al die (onrustige) gevoelens.
Dat zou ik ook willen: alles weten, overal bij betrokken zijn en toch geen onrust. En geen rekening voor een bedrag waarvoor ik een heel jaar naar de kapper kan, zou ook heel prettig zijn. Maar dat is gereserveerd voor de olam haba, waar en wanneer die zich ook afspeelt.

Tamarah Benima

sluit
Nesjomme
Een van de dichters die steeds weer verrast door haar heldere verwoording van hele grote inzichten, is Wislawa Szymborska. De Poolse won de Nobelprijs voor Literatuur in 1996. Ze werd in 1923 geboren en stierf in 2012. Op foto’s staat ze steevast afgebeeld met een sigaret.
... meer info

Wat mij al tijden bezighoudt is: ‘De nesjomme – waar zit hem die in’. Dus niet de vraag wat de nesjomme is. Dat weet ik, uit eigen ervaring, heel goed. De nesjomme, de ziel, is het Ware Zelf, met twee hoofdletters. Het is tegelijkertijd het minst persoonlijke en het meest persoonlijke deel van een mens. De nesjomme, de ziel, is het goddelijke in een mens. Je kunt hem ervaren (hebben), of je kunt hem niet ervaren (hebben).
Het wel of niet ervaren wordt bepaald door een beslissing van de Eeuwige; althans, zo is het geweest in mijn leven. Maar die vraag: Wat is de ziel? stel ik dus niet. Wel, waar zit het hem in? Wat zeggen we eigenlijk als we zeggen: ‘Een mens met een nesjomme’ of ‘Geen nesjomme’? Op grond waarvan maken we het verschil?
Bij Szymborska heeft iedereen een onvervreemdbaar iets genaamd ‘de ziel’. Ieder mens. Maar bij haar krijgt de nesjomme een heel eigen functie. Alles moeten we teruggeven. Moeten we de nesjomme ook teruggeven? Of mogen we die houden? En als we hem mogen houden, wie is dan de ‘we’? Is de nesjomme alleen een idee waarmee we ons verzetten tegen onze vergankelijkheid? Of is het meer dan een idee, een idee namelijk waarmee we de strijd tegen het blijvende niets daadwerkelijk winnen?
Men hoeft niet al dit soort vragen te stellen om haar gedicht ‘Niets cadeau’ te waarderen. Op een onwaarschijnlijk eigenzinnige wijze roept Szymborska het inzicht op dat iedereen in hetzelfde schuitje zit: alle levende wezens staan met hun rekening-in-het-rood, terwijl ze niet eens weten bij wie ze in het rood staan, waarom en hoe dit is gekomen.
Het enige dat overblijft is de nesjomme. Maar wat is een nesjomme?
Niets cadeau
Niets cadeau gekregen, alles te leen.
Ik zit tot over mijn oren in de schulden. Ik zal met mezelf
voor mezelf moeten betalen,
mijn leven voor mijn leven geven
Het is nu eenmaal zo ingericht dat het hart terug moet
en de lever terug moet
en elke vinger afzonderlijk.

Te laat om het contract te verbreken. De schulden zullen worden geïnd, het vel over de oren gehaald.
Op de wereld loop ik rond
in een menigte van andere schuldenaren. Sommigen zijn verplicht
hun vleugels af te betalen.
Anderen moeten of ze willen of niet
hun blaadjes afrekenen.
Aan de debetzijde
staat elk weefsel in ons.
Geen trilhaartje, geen steeltje mogen we voorgoed behouden.
De lijst is uitputtend
en het ziet ernaar uit
dat we met lege handen zullen achterblijven.
Ik kan me niet herinneren waar, wanneer en waarom ik zo’n rekening
heb laten openen.
Het protest ertegen noemen we de ziel.
En dat is het enige
wat niet op de lijst staat.

Wislawa Szymborska 1993

-0-0-0-

sluit
Diamanten slijpstenen
Goede voornemens zijn weinig waard als je ze niet zo concreet mogelijk maakt en verankerd in de tijd. ‘Ik ga elke dag één persoon een compliment geven, vóór tien uur in de ochtend, gedurende een half jaar’.
... meer info

‘Ik ga om de dag een gedicht lezen, een half uur voordat ik ga slapen. En op de dagen dat ik geen gedicht lees, schrijf ik er een, ook een half uur voordat ik ga slapen.’ ‘Ik zoek een keer in de week een joodse wijsheid en vindt de formulering van dezelfde wijsheid in een andere traditie; en als ik er zo over een jaar 52 bij elkaar heb, maak ik er een mooi boekje van, waarvan ik het eerste exemplaar geef aan de eerste de beste die ik op straat tegenkom op de dag dat het klaar is.’ ‘Ik maak elke dag een foto van een poes die ik op straat zie’. ‘Een keer in de week trek ik er met handschoenen, een knijper en een vuilniszak op uit en maak een stukje berm vrij van vuilnis’.

Elke coach, psycholoog, geestelijk verzorger, leraar, maar ook anderen kunnen je vertellen dat als je zulk soort opdrachten echt doet, zoals je je voorgenomen hebt, je onvermoede mogelijkheden in jezelf en de wereld ontdekt. Concreetheid en verankering in de tijd – sleutelwoorden voor herstel en groei. Daarom ben ik er ook zo trots op dat de joodse wijzen en leraren bedacht hebben dat vergiffenis vragen en vergiffenis geven niet moest worden overgelaten aan de goede bedoelingen van elk van ons, maar er een speciale tijd voor hebben uitgetrokken.

Je medemens vergeven? Elke dag. In het avondgebed. Jezelf bewust worden van je fouten? Elke dag in de dagelijkse gebeden. Maar vergiffenis als herstelmechanisme van relaties ook in deze periode van het jaar. Besef: het hele joodse volk is daarmee bezig. Ieder joods mens, maar ook in de gemeenschappen. Voor zover ik weet bestaat er geen volk of cultuur in de wereld, waarbij vergiffenis zó is georganiseerd.

Wij zijn niet alleen gezegend met steengoeie schrijvers die teksten hebben geproduceerd die de rot van de millennia doorstaan (Tenach), maar ook met steengoeie psychologen en sociologen (de rabbijnen) die in de Oudheid (misschien nu iets minder, gezien de haat die sommigen van mijn collegae verspreiden) wisten wat goed was voor de enkele mens en voor de gemeenschap. Tesjoewe (inkeer) en kappara (verzoening) zijn als diamanten slijpstenen, ze zijn in staat om de hardste belemmeringen weg te nemen. Vraag je af wat je wilt veranderen, maak het concreet en veranker het in de tijd. En vraag om hulp als je er niet uit komt. Je hoeft het niet allemaal alleen te doen.

sluit
Wat zou je willen?
Nog even niet. De komende weken vind ik weken van ‘nog even niet’. Aan de horizon beginnen Rosj Hasjana en Jom Kippoer op te flakkeren. Als we onze agenda doorbladeren, weten we dat de Hoge Feestdagen niet meer ver af zijn. Maar voorlopig is het ‘nog even niet’.
... meer info

Het grote rouwen hebben we net achter de rug. Het rouwen om verwoeste levens, verwoeste gemeenschappen, verwoeste gebouwen, verwoest cultuurgoed. Net als na iedere dood is er een tijd van desoriëntatie en van stilte. Die periode is nu. Hoe belangrijk het rouwen met Tisja beAv ook is geweest, we zijn er nog.

Of misschien kunnen we zelfs wel zeggen, we zijn er weer. In de periode van stilte die op het rouwen volgt kunnen we uitzoeken wat werkelijk belangrijk is. In een periode na de dood van wie ons lief was, zitten we niet in de groef van het gewone leven. Er is een beetje afstand tot alles wat normaliter zo belangrijk is. We kunnen ons soms zelfs niet voorstellen dát sommige dingen normaliter zo belangrijk zijn. Maar langzamerhand komen we terug in de groef. Precies zo kan het zijn voor ons, het joodse volk, dat heeft gerouwd om alles wat stuk werd gemaakt door onze vijanden. Ik houd niet van Herdenkingsdagen.

Ik heb een broertje dood aan 4 mei, om maar iets te noemen. Ik snap ook wel dat het belangrijk is om collectief een Herdenkingsdag te hebben die een vaste datum op de kalender heeft. En ik snap ook wel dat Tisja beAv een Herdenkingsdag is die een vaste datum op de joodse kalender is. Maar soms verzet ik mij tegen Herdenkingsdagen onder het uitroepen van een geërgerd: ‘Het is altijd herdenkingsdag in mijn leven’. Dat is ook zo. De doden die ik heb liefgehad zijn nooit ver weg. En de doden die zijn gestorven voor ik ter wereld kwam, maken toch deel uit van mijn leven, soms zelfs van mijn dagelijkse leven.

Maar Herdenkingsdagen creëren ook ruimte: de ruimte om te onderzoeken wat er nog wel is, wie er nog wel zijn. Na de Herdenkingsdagen kan men met een frisse blik naar dat open gat kijken; het gat in ons leven als individu en het gat in het leven van het joodse volk. Wat kan er opbloeien in dat gat? Wat zou ik willen dat er geboren wordt op Rosj Hasjana, als de geboorte van het universum wordt herdacht en gevierd? Welke gedachte is een zaadje dat tot wasdom zou moeten uitkomen? Welk initiatief kan worden genomen en uitgebouwd tot een zinvol project dat iets bijdraagt aan het menselijke samenleven? In deze weken van ‘nog even niet’ lijkt het leven nog meer dan anders op een tuin: er kan nog van alles gaan bloeien. Deze periode van ‘nog even niet’ kan erg vruchtbaar zijn: er hoeft even niks, maar er mag van alles. Wat neem je waar in de tuin van het leven en wat zou je willen doen groeien?

sluit
Hiddoer Mitswa
Schoonheid. Alle mensen houden van schoonheid. Breng me iemand die niet van schoonheid houdt – je zult hem niet vinden. Schoonheid spreekt namelijk tot het hart en is ook een uiting van het hart.
... meer info

De rabbijnen hebben van die liefde voor schoonheid gebruikt gemaakt om de moeilijke kanten van het ‘verplicht zijn’ te verzachten. Mitswa is immers afgeleid van het werkwoord: verplichten, opleggen. Het is niet altijd eenvoudig om mitswot te moeten naleven. Voor je het weet ervaar je het als een last of als een klus. Voor je het weet, verzet je je tegen de mitswot omdat je zelf wilt beslissen wat je doet en wat je nalaat. De rabbijnen hebben ‘schoonheid’ daartegen in de strijd geworpen. In Sjemot 15:2 staat een zinnetje: “Zeh Eli weänwéhoe.” In de vertaling van J. Vredenburg (1898): “Deze is mijn God, Hem wil ik verheerlijken.” W.Gunther Plaut geeft: “This is my God and I will enshrine Him.” De commentatoren hebben geprobeerd te begrijpen hoe je de Eeuwige kunt verheerlijken en zijn tot conclusie gekomen dat dat kan door elke mitswa zo ‘mooi’ mogelijk uit te voeren. Als het om voorwerpen gaat, moet je proberen om ze zo mooi mogelijk te maken, challe, bijvoorbeeld, ook de mooiste aan te schaffen en te gebruiken. Dus wordt heel veel tijd besteed aan het uitzoeken van een etrog, een loelav, wordt de soeka versierd, ligt er een mooi kleedje over de challe, wordt er kiddoesj gemaakt met een prachtige kiddoesjbeker, etc. De Tora wordt versierd met kronen en een borstschild, en er wordt gelajend met een prachtig versierde jad. Ook bij het uitvoeren van een mitswa probeer je dat zo mooi mogelijk te doen:met aandacht en niet gehaast, zo netjes mogelijk etc. Voor dit alles is een term: hiddoer mitswa. Het is geen mitswa in de zin dat het halachisch verplicht is om ‘de mitswot te verfraaien’. Maar het is wel een mitswe – een voorrecht.

Mitswa als halachisch voorschrift vertaal ik het liefst met ‘een zegen brengend voorschrift’. Als je een mitswa doet, manifesteert zich de zegen van de Eeuwige. Als je een mitswe doet, breng je iets van dezegen-die-jij-zelf-bent in de wereld. Let wel, hiddoer mitswa vraagt niet van je dat je de mitswot perfect doet. Het is eerder zo dat hiddoer mitswa de slordigen onder ons eraan herinnert dat iets meer inzet nodig is; de geroutineerden onder ons eraan herinnert dat het niet de bedoeling is alles op de automatische piloot te doen; en de perfectionisten onder ons de gelegenheid geeft de energie en focus te richten op schoonheid (en niet op het vermijden van fouten; wat op zich een goede eigenschap is).

Hiddoer mitswa verwarmt het hart, en laat het verwarmde hart tot uiting komen. Daarom is het zo geweldig dat we een Toraschild hebben gekregen. Misschien is het een idee om niet te wachten tot er zilveren kronen kunnen worden gekocht of worden geschonken, maar kunnen we de kinderen
Torakronen laten maken, en die afwisselend gebruiken. Zo kunnen we hen het begrip hiddoer mitswa bijbrengen.

sluit
Pesach
Het is bijna Pesach. We leggen de laatste hand aan onze Pesachschoonmaak, van ons huis en van ons zelf. We verwijderen de chametz uit ons huis en laten ons opgeblazen ego leeglopen. Met Pesach zullen we weer onze verlossing uit Egypte vieren, uit Mitzraim, de benarde plaats, waar we geen ruimte hadden om ons zelf te zijn en ons zelf te ontplooien, waar we de Eeuwige niet konden dienen. We gaan van een beperkt bewustzijn naar een ruimer bewustzijn. Durven we dat?
... meer info

Het is bijna Pesach. We leggen de laatste hand aan onze Pesachschoonmaak, van ons huis en van ons zelf. We verwijderen de chametz uit ons huis en laten ons opgeblazen ego leeglopen. Met Pesach zullen we weer onze verlossing uit Egypte vieren, uit Mitzraim, de benarde plaats, waar we geen ruimte hadden om ons zelf te zijn en ons zelf te ontplooien, waar we de Eeuwige niet konden dienen. We gaan van een beperkt bewustzijn naar een ruimer bewustzijn. Durven we dat?
In mijn eerste boek zette ik de tekst: Gevangen leef ik achter tralies. Mijn natje en mijn droogje krijg ik op gezette tijden. Ontvluchten doe ik niet, want ze hebben me geleerd niet te zien dat de deur open staat. Ben ik geen gelukkig mens?
Sommige van mijn cliënten in mijn vorige werk bleven aanvankelijk liever ergens waar ze ongelukkig waren en zich beklemd en beperkt voelden, dan de stap te nemen naar een situatie waarin ze meer zichzelf zouden kunnen worden en meer van zichzelf zouden kunnen ontplooien. Ze wachtten liever tot anderen veranderden, wat natuurlijk nooit gebeurde. Ze gaven de voorkeur aan een onprettige zekerheid boven het onzekere avontuur van de kans op verbetering. Of ze hadden het helemaal niet vervelend, eigenlijk best wel prettig en comfortabel. Maar er was geen creatieve opwinding meer, de sjeu was er al lang af, ze hadden zich gesettled in een routine, waren langzaam in slaap gevallen en deden geen moeite meer iets nieuws te leren. Om vervolgens geschokt te zijn als de omgeving veranderde en de routine niet meer werkte. Hoe oneerlijk was dat!
Met Pesach vieren we zeman cherutenu, de tijd van onze vrijheid. Maar wat is die vrijheid? Het is geen wonder dat wij Joden permanent in een identiteitscrisis lijken te verkeren. Het eerste dat Moshe vraagt als de Eeuwige zich in de brandende struik openbaart is Wie ben ik? een Egyptische prins? Een Midianitische herder? Een lid van de Ivrim, een slavenvolk? Hij twijfelt aan zichzelf en kent zelfs de naam van zijn G’d niet. Moshe staat niet te trappelen om stappen te zetten. Hij komt met iedere smoes die hij kan bedenken om maar niet op weg te hoeven gaan. Hij is bang om naar de Farao te gaan. Hij weet zeker dat de Israelieten niet naar hem zullen luisteren. Hij kan niet praten. Stuur toch iemand anders! En achter deze wijfelaar aan struikelen we vervolgens de woestijn door, terugverlangend naar de vleespotten van Egypte. Toch liever de slavernij met de zekerheid van je natje en je droogje dan de onzekere weg naar de vrijheid.
Maar Moshe maakt verschillende transformaties door. Waar hij bij de brandende struik nog meent niet te kunnen spreken is hij daarna vier boeken lang aan het woord, en over stotteren horen we niets meer. Als hij met de Eeuwige op de berg gesproken heeft straalt zijn gelaat zo dat hij het moet bedekken, hij heeft ervaren hoe het is om werkelijk in contact met de Eeuwige te zijn. Dat was niet gebeurd als hij in Midian was gebleven.
De kernvraag van Pesach is waar en met wat ieder van ons de Eeuwige zal dienen. Dat kan pas duidelijk worden als we ons Mitzraim verlaten en op weg gaan. Lo neda ma na’avod et adonai ad bo’enu shama (Sh.10:26), we weten niet hoe en met wat de Eeuwige te dienen totdat we daar aangekomen zijn, zegt Moshe. Waar ‘daar’ is, is nog onbekend. Pas als we de Sinai bereiken, weten we dat dit de plaats is. Daar waren we nooit gekomen als we niet op weg waren gegaan. Alleen als we ons Mitzraim verlaten kunnen we de Eeuwige ontmoeten, en meer (van) onszelf worden. Chazak we’ematz! wees sterk en moedig om de reis te durven aanvaarden. Nesia tova, een goede reis, en een koshere Pesach!

sluit
Shewat
In Shewat valt het feest van Tu b’Shewat, de 15e Shewat, chag ha-ilanot, het feest van de bomen, dat wij op 3 februari met BHC zullen vieren. In mijn tuin bloeit de hamamelis, in Israël de amandelbomen. De sapstroom in de boom komt weer op gang, na een winter waarin de boom weinig leven vertoonde.
... meer info

Shewat is de maand van de chiut, de levensenergie die weer gaat stromen, de maand van tot leven wekken van wat al aanwezig was, zij het nog onzichtbaar. Op verschillende plaatsen in de Tanakh wordt de mens met een boom vergeleken. De Tchortkover rebbe zegt dat als iemand alles verloren heeft, en geen hoop meer heeft, hij moet mediteren over een boom in de winter. Zijn bladeren zijn gevallen, zijn sap stroomt niet, hij ziet er dood uit. Maar plotseling komt hij weer tot leven en begint vocht uit de grond omhoog te halen. Hij gaat bloeien en brengt vruchten voort. Daarom moet iemand niet wanhopen, want ook hij is als een boom. Shewat is de maand van de vernieuwing van onze geloften aan het leven. We herinneren ons weer waarom we hier zijn. We krijgen nieuwe energie om onze levensmissie te realiseren. Onze eigen levensmissie. De eikenboom zal geen dadels voortbrengen, hoe hard hij het ook probeert. Als we een kinderboek lazen waarin een eikenboom probeerde een palmboom te zijn, of een palmboom een eikenboom, zouden we dat grappig vinden, of een beetje zielig. De boom ziet immers niet zijn eigen kwaliteiten. Serieus zouden we deze boom zeker niet nemen. Als je het gevoel hebt dat de wereld je niet serieus genoeg neemt, dan is een goede vraag of je nog op je eigen levenspad bent.
Veel Chassidische meesters spraken over de persoonlijke levensmissie van ieder individueel mens. Over rabbi Zussia van Hanipol wordt bijvoorbeeld gezegd dat hij op zijn doodsbed zei: ‘In de komende wereld zal men mij niet vragen waarom ik Moshe niet geweest ben. Ze zullen mij vragen waarom ik Zussia niet geweest ben’. Rabbi Simchah Bunim, de Pshisker rebbe, benadrukte dat men een pad moet bewandelen dat speciaal of uniek is voor hemzelf. Zelfs als iemand de manier bewonderde waarop een bepaalde rechtvaardige de Eeuwige diende, en die manier hem meer aansprak dat zijn eigen manier, dan toch moest hij niet veranderen, maar zijn eigen weg volgen. En rabbi Sholom Noach Berezovski, de Slonimer rebbe, leerde: ‘Avoda zara (letterlijk ‘vreemde dienst’, dat is afgodendienst) betekent ‘dienst die vreemd is voor zichzelf‘. Wanneer iemands levensmissie is een eminent Torah-geleerde te zijn, en hij besteedt al zijn tijd aan goede daden, dan vervult hij niet de missie waarom hij hier is. Zoals er in ieder mens een kracht ten kwade is, zo is er in ieder ook een kracht ten goede die past bij zijn speciale missie in de wereld. Als we zo aan onze eigen levensmissie werken, dan kunnen we ook genieten van al die andere prachtige bomen om ons heen. De wereld heeft al onze levensmissies nodig. Van werken aan onze eigen levensmissie worden we gelukkiger, van het iemand anders willen zijn dan onszelf niet.
Na Shewat, halverwege februari, komen we in de maand Adar. Van Adar wordt gezegd dat het de vrolijkste maand van het jaar is. Volgens Paul McGhee lijden veel mensen aan een ziekte die hij Terminale Serieusheid heeft genoemd. Terminale Serieusheid leidt tot depressie en ongeluk. Rabbi Nachman beschouwt gek doen en grappen maken (maar niet ten koste van anderen) als spirituele technologie. Het helpt ons de Eeuwige in vreugde te dienen, wat hij zo’n beetje als de belangrijkste mitzwa beschouwde. ‘Want in vreugde zul je uittrekken’, zegt de profeet Yeshayahu, ‘en in vrede zul je terugkeren…. Dan zullen alle bomen in hun handen klappen!’. Ware diepe vreugde is de moeilijkste spirituele opgave. Rabbi Nachman bidt:
Ribono shel Olam, hier sta ik, geslagen en verslagen door de talloze manifestaties van mijn eigen tekortkomingen. Toch moeten wij in vreugde leven, wanhoop overwinnen, en ieder beginnetje van goedheid, ieder positief puntje dat in ons is, zoeken en vinden – om zo ware vreugde te ontdekken. Help mij in deze zoektocht, o G’d. Help mij voldoening te vinden, en diep, altijd blijvend, plezier, in alles wat ik heb, in alles wat ik doe, in alles wat ik ben.
Wanneer onze chiut, onze levenskracht, in de maand Shewat weer volop is gaan stromen, en we werken aan het realiseren van onze levensmissie, kunnen we in Adar vrolijk zijn en plezier hebben, en ware vreugde beleven. In Nisan begint dan weer een nieuwe spirituele cyclus. Maar daarover een volgende maand.

sluit
Tevet
De maand Tevet is een donkere maand. De dagen zijn nog kort. Maar die duisternis verbergt een groot licht. Dit is de maand waarin we werken aan het opruimen van de belemmeringen in ons zelf, de belemmeringen die ons verhinderen om onze dromen, onze roeping, te realiseren.
... meer info

De wereld is een spiegel voor ons. Alles wat we tegenkomen, dat ons ongelukkig maakt, herinnert ons er aan dat er iets in onszelf is dat we kunnen helen. Dat lezen we ook deze maand in de Torah.
We lezen het boek Bereshit uit en beginnen we met het boek Shemot. Ya’akov sterft, en daarmee wordt het tijdperk van de aartsvaders en –moeders afgesloten. Een tijdperk waarin onze voorouders rechtstreeks of via dromen met de Eeuwige communiceerden. Het leven wordt materieler. De onderdrukking in Mitzraim begint, onder een nieuwe koning die Josef niet gekend had. Deze geschiedenis stelt ons voor de vraag op wat voor manier we onszelf onvrij maken. Blijven in een sitatie waar je (eigenlijk) niet tevreden bent is onvrijheid.
Moshe verlaat het hof van Egypte. Hij volgt zijn roeping, zij het na veel gesputter. Hoe vaak verzetten wij ons tegen wat haShem van ons vraagt? Hoe vaak zeggen wij, net als Tevje de melkman, : ‘Hier heb ik geen zin in. Kan U nou niet eens iemand anders uitkiezen?’ Moshe en Aharon gaan naar de Farao. Soms is het belangrijk te spreken, te zeggen wat we op ons hart hebben, ook als we daarmee een risico nemen. Want leven zonder enig risico te nemen leidt tot gebrek aan groei, en dus tot een langzame en stille zelfmoord op de vonk in ons die op aarde kwam om zich te ontwikkelen en bij te dragen aan de wereld.
De 10 plagen volgen. Het volk vertrekt met grote haast uit Mitzraim. Ik las onlangs een commentaar op sur mera, dat gewoonlijk geinterpreteerd wordt als ‘keer je af van het kwade dat je zelf kunt doen’. Dit commentaar zei dat sur mera betekent: verlaat een omgeving die slecht voor je is, die je ongelukkig maakt, die leidt tot regressie in plaats van groei, die je verhindert je ziel te laten spreken.
We weten wat we achterlaten maar we weten niet waar we heen gaan. Moshe zegt tegen de farao: ‘We lo neda ma la’avod et haShem ad bo’enu shama’, we weten niet hoe en met wat de Eeuwige te dienen tot we daar aangekomen zijn. Alleen als we dat risico nemen kunnen we ons ontwikkelen.
Niet dat die weg dan over rozen gaat. Met het vertrek waren onze voorouders er nog niet. Ze werden achtervolgd door de Egyptenaren. Door het splijten van de Rietzee konden ze ontsnappen. De midrash zegt dat de Rietzee niet zo maar spleet. Nachshon had zoveel vertrouwen, dat hij in het nog niet gespleten water stapte. Pas toen hij doorliep en het water tot zijn nek gestegen was, spleet de zee, en kon het volk droog overtrekken. Soms moeten we vertrouwen hebben, ook als we de concrete weg nog niet zien. Pas daarna kon Moshe zijn shir hajam, het lied van de zee, zingen, waarin hij bezingt wat de Eeuwige voor het volk gedaan had, en danste de profetes Mirjam met de vrouwen om de Eeuwige te eren.
We leren deze maand dat niets ooit hetzelfde kan blijven. Er is zijn maar twee mogelijkheden: groei of afsterven, leven of dood. Kies dan het leven, zegt onze Torah. Van rav Kook is de uitspraak: hayashan jitchadesh wehachadash yitkadesh, het oude zal vernieuwd worden en het nieuwe geheiligd. Moge Beit haChidush zich ook in deze maand vernieuwen en heiligen.

sluit
Cheshwan
De maand Cheshwan of Marcheshwan is begonnen. Mar (bitter) omdat er in de hele maand Cheshwan geen enkele feest is in de Joodse kalender. Hoe komen we die maand door?
... meer info

Toch is die saaiheid schijn. Het is een spannende tijd. De regen moet nu vallen. Als er op de 3e dag van Marcheshvan, 11 dagen na Sukkot, in Israël nog geen regen gevallen is moet er met grote aandrang gebeden worden. En als er op de 17e dag van Marcheshvan in Israël nog steeds geen regen gevallen is moet er 3 dagen gevast worden om alsnog regen af te smeken. Gelukkig weten we dat in Israël nu al regen gevallen is. Iets om dankbaar voor te zijn. In de Shema spreken we altijd over vroege en late regens, yoreh oemalkosh. De vroege regens vallen in oktober en november, en zijn belangrijk voor het zaaien. De late regens duren tot april en zijn belangrijk voor het groeien van het gewas. Daarna wordt het geoogst en is het weer Pesach.
Deze maand Marcheshwan waarin er niets gebeurt ligt tussen Tishri, de maand met de vele spirituele hoogtepunten, en Kislev, de maand waarin Chanuka begint. In Tishri kregen we verzoening en werden we ingeschreven in het boek des levens. Het was een nieuwe geboorte. Chanuka gaat over het realiseren van de herinwijding van de tempel waardoor we dicht bij haShem konden zijn. En wat ligt er tussen onze geboorte en het realiseren van onze levensbestemming? Spelen, leren, voorbereiding en oefening. Dat is ons werk in de maand Cheshwan. Bij onze teshuva hoorde het voornemen onze oude fouten niet opnieuw te maken en een nieuw leven te beginnen. Niet over een jaar, niet over een maand, maar nu. In de maand Cheshwan hebben we innerlijk werk te doen. Luzzatto schreef dat Noach een jaar in de ark moest blijven om de fundamenten van een nieuwe wereld voor te bereiden. Door de dieren te voeden bereidde hij een wereld voor van goedheid en liefde. (Zie over dat voeren ook http://www.youtube.com/watch?v=j_BzWUuZN5w). Datzelfde proces, schrijft rav Kook, is nodig voor onze eigen morele en spirituele groei. Daarom hebben we een maand Cheshwan nodig, zonder enige afleiding van ons innerlijk werk.
In de Torah trekken Avram en Sarai deze maand weg uit Ur der Chaldeeën naar een land dat de Eeuwige hem wijzen zal. Ook Jacov maakt een reis waarmee hij vele jaren van huis is. Hij komt terug als een ander mens. Onze voorouders waren niet bang op reis te gaan. Of misschien wel. Maar ze gingen. Ook wij kunnen op weg gaan en onze goddelijke opdracht realiseren. Laten we samen verder gaan op onze innerlijke reis, in deze maand van innerlijk werk.

sluit
Kol Nidre
We voelen allemaal dat de stemming op Kol Nidre heel anders is dan in alle andere avonddiensten.
... meer info

De Kol Nidre melodie wordt alleen op deze avond van het jaar gezongen. Het Kol Nidre vindt, anders dan andere diensten, plaats in liminale tijd, in de schemerperiode tussen licht en duister, zodat we een bet din kunnen hebben zonder de shabbath shabbaton te overtreden, en onze tallit bij licht om kunnen doen. Maar we houden onze tallit om als het donker geworden is. Dat is vreemd. Wat is er zo speciaal aan Kol Nidre?
Als we alleen naar uiterlijke vormen kijken is het een erg vreemde vertoning. We hebben ons in het wit uitgedost, alsof het onze eigen begrafenis is. We dragen onze tallit alsof het dag is. We hebben rechtbankje gespeeld, met een bet din achter de bima. We hebben onze toestemming uitgesproken om met de overtreders te bidden. We hebben gevraagd om van onze beloften en eden die we niet gehouden hebben ontslagen te worden. Als een anthropoloog van Mars kwam om dit vreemde ritueel te onderzoeken zou hij er waarschijnlijk niets van begrijpen. En misschien wij zelf ook niet. Wat is de betekenis van dit alles?
Eigenlijk is YK de generale repetitie voor onze eigen dood. We dragen ons doodskleed of een versie daarvan. We wachten met vrees op het oordeel van de Eeuwige rechter. We zeggen de vidui, de schuldbelijdenis, net als op ons sterfbed. We eindigen morgen met het shema, net zoals wanneer we de laatste adem uitblazen. We doen niets van wat het leven de moeite waard maakte: eten, drinken, sex, comfort, werken. We moeten alles achterlaten wat we tijdens ons gewone leven dachten dat belangrijk was. Het is alleen nog tussen ons en de Eeuwige.
Maar we gaan nog niet echt dood. We maken een transformatie door. De Chassidische meester Dov Baer van Mezzeritch zei dat niets van vorm kan veranderen als de huidige vorm niet volledig opgeheven wordt. Zoals een rups alleen een vlinder kan worden als hij zijn rups zijn opgeeft, zo laten we op Yom Kippur ons leven in zijn oude vorm achter ons. Met moeite. Ik heb een cartoon van een rups die omhoog kijkt naar een fladderende vlinder en zegt: You’ll never get me up there. Zoals morgen de hogepriester in het heilige der heilige zal kunnen sterven, zo sterft ons oude leven op YK. Maar het is het sterven dat voorafgaat aan een transformatie. We sterven op YK om opnieuw geboren te worden.
Een deel van dat proces is met het Kol Nidre vragen om ontslagen te worden van onze geloften. Een vreemde zaak, waar anderen zich bij afgevraagd hebben of wij dan wel te vertrouwen zijn. Er zijn dan ook vele uitleggen van die geloften.
Reb Zalman Schachter Shalomi zl zei: denk bij geloften aan je eigen slechte en schadelijke gewoonten waarvan je ontslagen wilt worden. Want wat hebben we een enorme commitment aan het volhouden van die slechte gewoonten. Zo erger ik mij al jaren aan mijn sudoku verslaving. Ik zou mijn tijd beter kunnen besteden. Maar ik doe het niet. Zodra er een sudoku langs komt in een suf advertentieblaadje moet ik hem invullen, ook als hij veel te makkelijk is en helemaal niet leuk.  Ik zou heel graag ontslagen worden van mijn kennelijke gelofte om iedere stomme sudoku die langs komt op te lossen! Maar dat lukt niet, tot nu toe. In de VPRO gids van deze week stond het verhaal van een man die er als maar niet toe kon komen de muren van zijn hal te schilderen. Om zichzelf te motiveren schilderde hij met grote letters POEP op de muur. Nu moest hij hem wel overschilderen. Maar toen hij 20 jaar later verhuisde stond er nog steeds POEP. Gewoonten kunnen hardnekkig zijn. Rabbi Lawrence Hoffman zegt dat Kol Nidre in de basis de erkenning is van onze feilbaarheid. Onze goede intenties van het afgelopen jaar bleven intenties, die onuitgevoerd bleven door onze menselijke zwakheid en beperkingen. Van die last hopen we ontslagen te worden.
De Zohar, het grote mystieke werk van het Jodendom, zegt dat op Yom Kippur we niet alleen ontslagen hopen te worden van onze eigen geloften die we niet gehouden hebben. We worden ook bevrijd van de eden die de Eeuwige over ons gezworen heeft tot uitvoering te brengen als vergelding voor onze zonden. Omdat de Eeuwige deze gelofte annuleert kunnen we opnieuw beginnen. Als het oordeel uitgewist wordt, en onze zonden niet meer tussen ons en de Eeuwige staan, kunnen we ons weer verbinden met haShem. Want het pijnlijkste van zonde is dat we die verbinding kwijt raken. Dat werkt twee kanten op. Want omgekeerd is volgens de Slonimer rebbe zonde ook niet mogelijk wanneer we hecht verbonden zijn met haShem. HaShem is als een verterend vuur, het vuur waarmee we ons stalen aanrecht kasjeren. In dat vuur kan geen zonde bestaan. HaShem is als een mikve dat ons reinigt. Yom Kippur helpt ons die verbinding weer tot stand te brengen. Dat is een werkelijke transformatie.
Volgens reb Zalman vieren we op Yom Kippur dat we weer in het reine komen met haShem, dat we weer in harmonie met hem of haar kunnen leven. En dat we ons weer verenigen met het doel waarvoor we geschapen zijn, onze eigen persoonlijke levensmissie. Dat wij een persoonlijke missie in het leven hebben, daarover zijn veel van onze mystieke leraren het eens. We hebben allemaal onze eigen taak die essentieel is voor de wereld. Een taak naar buiten, het werk dat we in de wereld moeten doen, en een taak naar binnen, het innerlijke werk dat we moeten doen. Rav Kook zegt daarover: we besluiten het al chet met de tekst: ‘Voor ik gevormd was, was ik van geen waarde. En nu dat ik gevormd ben, is het alsof ik niet gevormd ben’. Rav Kook legt uit: voordat ik gevormd was was ik nog niet in de wereld en was er dus ook nog geen taak voor mij in de wereld. Nu ik gevormd ben, en in de wereld ben, heb ik een taak in het helen van een klein stukje van deze wereld (en van mijn eigen ziel). Dat is de reden waarom ik hier ben. Maar als ik van mijn taak afgedwaald ben is het alsof ik niet gevormd ben, want als ik mijn bijdrage niet lever, dan kan ik er net zo goed niet zijn. De Slonimer stelt het niet vervullen van de eigen missie zelfs gelijk aan afgodendienst. Want ik kan nog zo geweldig het werk doen dat een ander als missie heeft, mijn eigen bijdrage lever ik dan niet. Als het hart gaat doen alsof het de lever is, mist er iets essentieels in het organisme.  Ik stel mij dan in dienst van iets dat vreemd is aan mijzelf. Dat is avoda zara, vreemde dienst.
Het is dus voor ons zelf en voor de wereld van groot belang dat we het werk doen waarvoor juist wijzelf hier zijn. Yom Kippur brengt ons terug op ons levenspad. De Talmud zegt: groot is teshuva, want het brengt heling in de wereld. Als een individu teshuva doet wordt hij vergeven en de hele wereld met hem. Volgens rav Kook verlagen onze zonden niet alleen onze eigen ziel. Ze hebben ook een negatieve invloed op de morele en spirituele toestand van het universum. Dat betekent dat ons werk op Yom Kippur ook een zware verantwoordelijkheid is naar de wereld toe. Rabbi David Hartman zei: de essentie van teshuva is de overtuiging dat het verleden niet de toekomst bepaalt. Maar dat is niet alleen een overtuiging. Het is ook een plicht en verantwoordelijkheid om aan een betere toekomst te werken.
Maar als dat werk dan zo belangrijk is, waarom doen we Kol Nidre dan alleen op YK? Waarom niet iedere avond als we onze dag overdenken? Iedere week als we teshuva doen voor shabbath? Iedere maand als we yom kippur katan, de kleine yom kippur, beoefenen voor rosh chodesh? Waarom maar eens per jaar?
Het hele jaar bidden we in de weekdag Amida om vergeving: selach lanu avinu ki chatanu, mechal lanu malkenu ki phashanu, vergeef ons, onze vader, want wij hebben gezondigd. Selicha en mechila, vergeving, zijn in principe een activiteit van de Eeuwige door het hele jaar heen. De term kappara, verzoening, hoort bij Yom Kippur. Volgens de Chida (Rabbi Chaim Joseph David Azulai 1724-1807) gaat het om een diepere reiniging dan selicha en mechila. Die reinigen de ledematen, het niveau van doen. Maar de ziel is nog steeds aangetast. Kappara reinigt ook onze ziel, het niveau van zijn. Alleen op YK ging de hogepriester het Heilige der Heilige binnen om verzoening te doen. Alleen YK geeft ons die diepe reiniging. Je terras wordt ook schoner met een hogedrukreiniger dan met een sopje en een bezem, en die hogedrukreiniger doe je ook maar eens per jaar, if at all. Reb Zalman vergeleek dit proces met het verwijderen van documenten uit je computer. Je verplaatst het document naar de prullenbak – selicha -, je leegt de prullebak – mechila -, en je maakt je hard disk schoon – kappara. Dan pas is het helemaal uit je systeem verdwenen.
Om je overtredingen helemaal uit je systeem te verwijderen moet je iets opgeven: je gewoontes en automatische reacties, de bril waardoor je naar de werkelijkheid kijkt , je idee over je eigen rol, over je eigen belang,  over je eigen identiteit, over je plaats in het leven. Als je werkelijk wilt veranderen moet iets in jou sterven. Waarschijnlijk zouden we het ook niet kunnen verdragen om iedere dag een beetje te sterven. Tenslotte blijven we mensen, met zwakheden en onvolmaaktheden. Eens per jaar is te doen. Laten we elkaar steunen in dit transformatieve werk, om onszelf en de wereld te helen, be-ezrat haShem.

 

sluit
Tishre
En dan is het alweer de maand Tishre van het jaar 5775. Tishre is de maand waarin de rabbijnen geloven dat de wereld geschapen werd.
... meer info

Het is ook de maand van de etanim, de altijd stromende rivieren (Melachim aleph 8:2). Ik heb iets met mooie getallen. Het getal 5775 is een palindroom: het is hetzelfde als je het van voor naar achteren of achterstevoren leest. Betekent dat dat we het jaar net zo goed achterstevoren kunnen leven?
De altijd stromende rivier verplaatst water maar blijft dezelfde rivier. Met Simchat Torah lezen we Devarim uit en beginnen onmiddellijk weer met Bereshit. Ieder jaar hetzelfde. Tijdens Sukkot lezen we Kohelet: ‘wat er was zal er altijd weer zijn, wat gedaan is zal altijd weer worden gedaan’. ‘Wanneer men zegt ‘kijk, iets nieuws’, dan is het altijd iets dat er sinds lang vervlogen tijden geweest is’. ‘Er is niets nieuws onder de zon’ (Koh. 1: 9-10). Waar doen we het dan eigenlijk voor?
In de kabbalistische levensboom staat Tiferet, de centrale sefira, voor de zon. Onder de zon is het domein van katnut, het beperkte bewustzijn. Daar is niets nieuws. We herhalen onze oude patronen jaar na jaar zonder dat er iets verandert. Boven Tiferet, boven de zon dus, is het gebied van gadlut, het verruimde bewustzijn. Daar zijn alle mogelijkheden open en is er dus veel ruimte voor vernieuwing. Chadesh jamenu, vernieuw onze dagen, zingen we ieder dienst.
En dit is nu juist ons werk in de periode van de Hoge Feestdagen. We reflecteren over onze oude patronen, en hoe die ons brachten wat we uiteindelijk niet wilden. Dat wil zeggen dat we afstand nemen van onze automatismen. Een automatisme is beperkt bewustzijn, of misschien zelfs helemaal geen bewustzijn. Zoals we tijdens het autorijden soms met onze aandacht totaal ergens anders kunnen zijn, en dan ineens bij bewustzijn komen en ons afvragen waar we zijn en waar we eigenlijk heen op weg zijn.
Zo neemt ons leven soms een loop terwijl we maar vaag bewust zijn van wat we eigenlijk aan het doen zijn, en er vaak ook helemaal niet tevreden mee zijn. Onder de zon, in ons beperkte bewustzijn, hebben we een beperkte waarneming, van onszelf en van anderen. We zien geen andere mogelijkheid dan te volharden in hoe we het al deden. En we vinden daar rechtvaardiging voor in de beperkte manier waarop we de werkelijkheid waarnemen.
Wanneer we teshuva doen keren we terug naar de goddelijke scheppende energie. We kunnen ons leven anders inrichten. We hoeven niet in oud patroon te blijven hangen. Boven de zon is
7
alles nieuw, wordt de schepping vernieuwd, wordt iedere dag opnieuw geschapen. We kunnen werkelijk een ander leven creëren, een werkelijke transformatie doormaken.
In de parasha van afgelopen week lazen we: ‘u staat voor de keuze tussen leven en dood, tussen zegen en vloek. Kies voor het leven!’ Moge de Eeuwige het ons geven voor het leven te kiezen, voor een hoger bewustzijn, voor de scheppende kracht van de goddelijke energie in ons. Laat ons werkelijk terugkeren naar onze goddelijke oorsprong, zodat we ons leven opnieuw kunnen scheppen.
Ik wens ons allen een heel goed, zoet, levend, vernieuwd en vernieuwend jaar toe, individueel, en samen als gemeenschap van Beit haChidush, Huis van Vernieuwing!

sluit
Elul
We zijn aangekomen in de maand Elul. In de maand Elul bereiden we ons voor op de Hoge Feestdagen. Het is de periode van het periodieke onderhoud van ons bewustzijn, onze jaarlijkse bewustzijns-APK. Er was dit jaar genoeg reden om naar buiten te kijken. Er waren aanslagen in Europa. Er was een oorlog gaande in Israel. Dat zijn fysieke bedreigingen. Het is goed dat we fysieke maatregelen nemen om ons fysieke voortbestaan te waarborgen.
... meer info

Maar deze maand gaat het (ook) om ons geestelijke voortbestaan. We kijken naar binnen. We reflecteren over onze innerlijke conditie. Hoe staat het met onze psychologische/spirituele hygiëne?

Als we naar het woord Elul kijken, אלול , dan zien we eerst de letter aleph. De aleph staat voor de eenheid van haShem. Dan volgen lamed waw, wat 36 betekent. Volgens de Talmud zijn er
in iedere generatie zesendertig rechtvaardigen op wie de Shechinah rust. Ter wille van hen laat haShem de wereld voortbestaan. De laatste letter, lamed, staat voor lev, hart. Hetzelfde woord
dat gevormd wordt door de laatste (JisraeL) en de eerste (Bereshit) letter van de Torah. Zonder hartsenergie kan de wereld niet voortbestaan. De midrash zegt dat in een vorige schepping alleen de kwaliteit van din, oordeel, aanwezig was, en niet die van chesed, liefde. Die wereld werd vernietigd omdat hij niet leefbaar was. Zonder onze rechtvaardigheid en onze hartsenergie kan de eenheid van haShem zich niet manifesteren in deze wereld. Elul staat ook voor Et Levavecha We-et Levavi, jouw hart en mijn hart. Alleen als wij op hartsniveau communiceren met de Ander kan de eenheid van haShem zich manifesteren. De Ander kan iedereen zijn: mijn luidruchtige buren, een moslima, een Palestijn. In de maand Elul maken we de balans op. Zijn we voldoende rechtvaardig geweest? Hebben we ons hart geopend voor onze naaste? We vinden deze woorden ook in Devarim (30:10) - וּמָל יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אֶת-לְבָבְךָ, וְאֶת לְבַב זַרְעֶךָ , De Eeuwige zal jouw hart en het hart van je nakomelingen besnijden. Het werk is niet eenvoudig, maar gelukkig hoeven we het niet alleen te doen.

De Alter rebbe zegt dat we op aarde zijn om de strijd tussen goed en kwaad te voeren, en vooral om onze eigen neiging tot het kwaad te overwinnen. We moeten spirituele krijgslieden zijn. In de maand Elul onderzoeken we onze kwade neigingen nog eens extra, repareren we wat we fout deden, en maken we voornemens voor het komende jaar. Althans, in theorie.Want is het wel mogelijk om te veranderen? Zei Ruth Benedict niet: A pig never becomes a hippopotamus? Hoe is het eigenlijk met onze goede voornemens van vorig jaar gegaan? Hebben we wel iets veranderd het afgelopen jaar?

Zullen we het maar opgeven dan? Helemaal niet! In Pirke Avot zegt Rabbi Shim’on: zie jezelf niet als slecht. Als we onszelf als slecht zien versterken we onze neiging tot het kwade. Als we
onszelf als in essentie goed zien, versterken we onze neiging om goed te doen, en onzepositieve eigenschappen te manifesteren. Als we onszelf te veel veroordelen helpt ons dat niet om het beter te doen. Het Jodendom verbiedt ons daarom om ons in schuldgevoel te blijven wentelen. Volgens rabbi Nachman is dat nu juist de strategie van de yetzer hara. Elul is dus de maand van de juiste balans. We beoefenen zelfreflectie, geen zelfveroordeling. We erkennen de goddelijke vonk in onszelf en anderen. We werken er hard aan dat goddelijke licht te manifesteren in de wereld. En we vragen haShem ons te steunen in dit werk. Als we zelf de deur op een kier zetten zal Zij/Hij hem volledig openen. Ken jehi ratzon.

sluit
Tamuz
We komen nu in de maand Tamuz. De naam is ontleend aan de Babylonische maand Tamuz, en die was genoemd naar een oorspronkelijk Sumerische god Dumuzi(d), de god van voedsel en vegetatie.
... meer info

Met deze maand begon de zomer met zijn verschroeiende hitte, wanneer niets meer wilde groeien. Volgens de legende verdween Tamuz dan naar de onderwereld. Een periode van rouw brak aan. In het visioen van Yechezkel zaten er zelfs vrouwen voor de poorten van de tempel te wenen om Tamuz (Yech.8:14), wat Yechezkel natuurlijk sterk afkeurde. Maar wat doen wij op de 17e Tamuz? We rouwen en vasten. De redenen die de rabbijnen hieraan gekoppeld hebben zijn dat de muren van Jeruzalem doorbroken werden, dat de tempeldienst gestopt werd, en ook was het de dag waarop het gouden kalf geofferd werd.

Na de 17e Tamuz beginnen de Drie Weken, ook wel Ben haMetzarim genoemd, wat ‘ tussen de ellendes (de andere ellende is Tisha b’Av)’ betekent. Deze Drie Weken worden als een rouwperiode beschouwd.  We nemen dezelfde gewoontes in acht als in de Omerperiode: geen nieuwe kleren, geen kapper, geen huwelijk.

Het verhaal van Tamuz is een verhaal van dood en wedergeboorte. In het najaar komt hij weer boven en begint alles weer te groeien. In het Jodendom gaan we er van uit dat er ook in de donkerste tijden hoop is. Niet voor niets is haTikwa, de hoop, het Israelische volkslied. De profeten die ons de allerergste voorspellingen doen geven ook hoop. ’Nachamu nachamu ami’, zegt Yeshayahu, ‘troost, troost, mijn volk (Yesh 40:1)’. Echa, dat we de volgende mand zullen lezen op Tisha b’Av, beschrijft de meest vreselijke gebeurtenissen die ons zullen treffen. Maar het eindigt met: ‘Waarom zou U ons voorgoed vergeten? Laat ons terugkeren! Hasjivenu adonai elecha wenashuva, chadesh jamenu kekedem! Vernieuw onze dagen als vanouds!’ (Echa 5:20-21). Het allerergste wat een mens of een volk kan gebeuren is geen hoop meer te hebben. In het allergrootste duister ligt de kiem voor een nieuw licht.

Laten we bidden voor de veilige terugkeer van de drie ontvoerde tieners, Eyal Ifrach, Gilad Sha’ar en Naftali Frenkel. Mogen zij veilig en gezond bij hun families terugkeren. Laten we er voor waken cynisch te worden, of uit angst te gaan leven. Laten we de hoop levend houden dat er ooit vrede zal heersen in het land en in de wereld. Laten we onze dagen iedere dag vernieuwen om daaraan bij te dragen.

sluit
Mattot
In de vorige parasha bracht iemand een Midianitische vrouw mee om met haar tempelprostitutie te bedrijven. In deze parasha zegt de Eeuwige daarom tot Moshe: ‘Wreek de kinderen Israels op de Midianieten’.
... meer info

Moshe geeft vaak een extra draai aan de woorden van de Eeuwige en hier vertaalt hij ‘Wreek de kinderen Israels op de Midianieten’ als: ‘roei de Midianieten uit tot de laatste man en vrouw’. Alleen vrouwen die nog niet met een man geslapen hadden mochten gespaard worden.
De Israelieten trokken dus tegen de Midianieten ten strijde. Volgens Targum Jonathan vlogen in deze strijd zowel Bilam als Pinchas door de lucht. Bilam was de profeet uit parashat Balak die Israel zegent ipv vervloekt – ma tovu ohalecha Yaakov – en Pinchas doorstak in de vorige parasha een Israelitische man samen met een Midianitische vrouw. Beiden vlogen nu in deze strijd door de lucht. Ik zie een scene uit een Kung Fu film voor mij. De schurk en de rechtvaardige vliegen beiden door de lucht om elkaar te verslaan. Natuurlijk wint onze Kung Fu held, Pinchas, de tzaddik, de rechtvaardige.

Rabbi Nachman zegt naar aanleiding van deze scene in Targum Jonathan dat tzadikim en slechterikken vergelijkbare daden doen. Zowel Bilam als Pinchas vliegen door de lucht. Men kan heel gemakkelijk denken dat de slechterik rechtvaardig is als men zijn successen ziet en de wonderen die hij doet. Men moet daarom onderscheid leren maken, zegt Nachman,  tussen licht en duisternis, tussen de daden van de tzaddikim die voortkomen uit gebed en de kant van heiligheid, en dezelfde daden van de slechterikken, die voortkomen uit zwarte magie en de sitra achra, de andere zijde, dat is de kant van het kwaad. In psychologische taal: mensen kunnen dezelfde dingen doen uit verschillende motivaties, en men moet leren onderscheid te maken tussen de motivaties van mensen voor hun daden. Dat is ons rechtssysteem. Moord met voorbedachte rade wordt zwaarder gestraft dan een ongelukje, als je niet de bedoeling had de dief te doden toen je hem van je trap duwde.  De daden van tzaddikim zijn gericht op een groter goed. De daden van de rasha, de slechterik, zijn gericht op eigen belang en het schade toebrengen aan anderen. Natuurlijk is het goed om met rabbi Nachman de motivaties van anderen te bestuderen, maar nog beter is het te onderscheiden wat onze eigen motivaties zijn: het grotere goed, of eigen belang en schade toebrengen aan anderen. Dat wil zeggen, dat is een nogal beperkte opvatting van eigen belang. Want wat je uitzendt krijg je vaak terug.

De Eeuwige zei tot Moshe: Wreek de kinderen Israels op de Midianieten. Er is een klein probleem met deze tekst. De Torah verbiedt ons om wraak te nemen of wrok te koesteren (Wajikra 19:18). Als je wraak zou nemen of wrok zou koesteren, dan zou je zonde op jezelf laden, zegt de tekst. De Talmud denkt evenmin gunstig over het nemen van wraak (Yoma 23a). De wraak is des Heren (Megilah 21b, Baba Metzia 44a), niet des mensen. Wie wraak neemt kiest de zijde van de sitra achra.

Dus waarom krijgt Moshe de opdracht zich te wreken? Het is een aanduiding dat we deze tekst anders moeten lezen, niet zo letterlijk.  Waarom moest nu bijvoorbeeld uitgerekend Midian uitgeroeid worden? Er waren wel meer volken die Israel het leven zuur maakten. Volgens een van onze wijzen betekent het woord midian strijd. Midian is de essentie van tweedracht en daarmee de wortel van alle kwaad. Daarom moest het uitgeroeid worden. We trekken ten strijde tegen onze eigen yetzer hara, onze neiging tot het kwaad. De alter rebbe (1745-1812), de stichter van Chabad,  zegt daarover dat we juist voor deze strijd geschapen zijn. Daarom moeten we ons niet somber voelen, zelfs als we iedere dag in deze strijd met onze eigen yetze hara verwikkeld zijn, want dit is ons werk in de wereld.

Een opvatting was dus dat Midian stond voor de essentie van tweedracht,  de wortel van alle kwaad, onze eigen yetzer hara. Volgens de Mee haShiloach, dat is de Izbitzer rebbe, rabbi Mordechai Josef Leiner van Isbitza (1801-1854), staat Midian voor de kracht van illusie. Als Midian verwijderd wordt uit het hart van Israel hebben de Israelieten geen wijsheid meer nodig om de wil van de Eeuwige te kennen, want dan kunnen ze die direct ervaren. In de psychologie wordt wel gezegd dat we ons eigen script leven, alsof we in een trance zijn. We interpreteren de wereld volgens de beelden in ons hoofd. We hebben een beeld hoe de wereld er uit ziet en we zien alleen wat ons wereldbeeld bevestigt, ook als dat maar een halve waarheid is, of zelfs volstrekt in tegenstelling met de feiten. En alles wat niet klopt met de beelden in ons hoofd zien we niet. Als we geloven dat iemand niet van ons houdt is dat wat we ervaren, ook als het niet waar is. En als het dan lijkt of die persoon echt van ons houdt dan bewijst dat hoe hypocriet die persoon is, want we weten dat het niet zo is. Als iemand gelooft dat iedereen tegen Joden is, is dat wat hij denkt tegen te komen, ook als dat voor een groot aantal mensen niet geldt. En als iemand dan toch echt oprecht geinteresseerd lijkt, dan moet het wel een doortrapte filosemiet zijn. Facts that are perceived as real are real in their consequences, zei de beroemde socioloog Thomas, ook als ze niet waar zijn dus. Die trance staat in tussen ons en wat werkelijk is, tussen ons en de Eeuwige. Wanneer we onze trance kunnen opheffen kunnen we een zuiver kanaal zijn voor de goddelijke energie. Dat bedoelt de Mee Shiloach als hij zegt dat als Midian verwijderd wordt uit het hart van Israel , de Israelieten geen wijsheid meer nodig hebben om de wil van de Eeuwige te kennen. Want dan is er een directe ervaring, zonder dat onze eigen beelden daartussen komen.
Wanneer de Israelieten terugkeren met de Midianitische vrouwen en kinderen, wordt Moshe boos. Maar als iemand boos wordt verdwijnt zijn wijsheid, zegt de Talmud (Pesachim 66a). En rabbi Nachman zegt dat boosheid betekent dat iemand zijn verstand verliest en fouten maakt. Sterker nog, boosheid is volgens hem de oorzaak van alle schade die mensen aanrichten en alle fouten die ze maken. Met andere woorden, als je boos bent kun je maar beter even niets doen tot je boosheid over is.   

Die wijsheid heeft Moshe hier niet. Hij wordt woedend en beveelt in zijn woede alle mannelijke kinderen en alle vrouwen die met een man geslapen hebben te doden.  Sommigen zeggen dat als we boos worden op een ander, we eigenlijk boos worden op iets in onszelf, op een stuk van onszelf dat we ontkend hebben, dat we niet hebben willen zien, en dat we projecteren op de ander. Moshe, die 40 jaar in Midian leefde, die een Midianitische vrouw getrouwd had en een Midianitische schoonvader had, kiest uitgerekend de Midianieten om uit te roeien. Niet de Moabieten, niet de Ammonieten, niet de Edomieten, niet een groot aantal andere kandidaten. Midian.  Hoe had hij zelf geleefd, die 40 jaar in Midian, met een Midianitische priester als schoonvader? Wat is het in hemzelf, dat hij bestrijdt?

Het is onvermijdelijk dat we voortdurend falen. Want we zijn geen tzaddikim. We zijn ook niet uitzonderlijk slecht, hoop ik. We zijn wat de alter rebbe noemt benonim, tusseninners, iets tussen tzaddik en rasha in. Voor ons tusseninners lukt het de ene dag een beetje en richten we ons op het grotere goed. De andere dag vliegen we uit de bocht, en zijn we boos en wraakzuchtig. Daar moeten we ons niet somber voelen, zegt de alter rebbe. Schaamte en schuld zijn contraproductief. Daarmee zetten we onszelf vast in een oud patroon. Alleen als we met rachamim, barmhartigheid, naar onszelf kijken kunnen we groeien. Alleen als we barmhartig zijn voor onszelf kunnen we barmhartig zijn naar elkaar. Alleen als we barmhartig zijn naar elkaar kunnen we een gemeenschap vormen.

sluit